Een Steurtje vertelt: deel 2 – Wedstrijdspelletjes en zwemmen.
Frits Geuther, 2004.
Vliegeren
Bijna iedereen was bezeten van vliegeren. Vlieger en vliegertouw maakten we zelf. Het zakgeld ging op aan het kopen van papier, touw, houtlijm en bamboestokjes. De vlieger moest zelf gemaakt zijn anders was je geen echte vliegeraar. Het maken van het vliegertouw vergde veel tijd. Het touw, glastouw genoemd, moest namelijk voorzien zijn van een dun laagje poederglas. Je had dan ook handschoenen nodig bij het vliegeren anders sneed je je in de vingers.
Vliegeren werd als een sport gezien. Er werden ook gokwedstrijden gehouden. In Nederlands-Indië waren vliegergevechten een geliefde bezigheid en ze werden altijd goed bekeken want het was spannend. De vlieger werd zo hoog mogelijk de lucht in gemanoeuvreerd, vanuit deze hoge positie kon je met een snelle duik de vijand ongenadig aanvallen. Je zag heel hoog in de lucht een vlieger een snelle duikvlucht nemen naar een andere vlieger om het vliegertouw van deze vlieger door te snijden. Als je de strijd verloor, verloor je niet alleen de vlieger maar ook wat vliegertouw. Bij twee of drie verloren gevechten kon je zoveel vliegertouw verloren hebben dat je niet genoeg touw overhield om verder te vliegeren. Vliegers die geen staart hadden mochten niet aangevallen worden.
Als een vlieger de strijd verloren had en al dwarrelend naar beneden zweefde dan werd ze achterna gezeten door vliegerjagers. Er werd in bomen geklommen en door plassen gelopen om de vlieger te pakken te krijgen. Zo’n vlieger was meer waard dan een nieuwe uit de winkel omdat ze haar luchtwaardigheid bewezen had.
Tollen
Behalve het vliegeren hadden we ook het tollen met eigenhandig gemaakte houten draaitollen.
Bij het tollen ging het niet zozeer om het lang laten draaien van de tol maar om de tijd waarin je met jouw tol de tol van de tegenstander kon splijten. De punt van de tol bestond namelijk niet uit een puntig staafje maar uit een kleine beitel. Met behulp van een stuk touw om de tol wierp je je tol in de richting van de tol van de tegenstander in de hoop dat de beitel van jouw tol een stuk tol van de tegenstander wegsloeg.
Krekelgevechten
In de krekeltijd, de maanden juni, juli, augustus, vonden de krekelgevechten plaats. De krekels kon je op de markt kopen of zelf vangen in de rijstvelden, je moest dan wel vroeg op pad gaan want de krekels sjirpten alleen in de ochtenduren. Ze sjirpten om te kennen te geven dat ze gevangen wilden worden om aan de krekelstrijd mee te kunnen doen. Het gevecht vond plaats in een arena gemaakt van een bamboekoker van 15 cm lang en 7 cm diameter. Boven de koker waren een paar sleuven waardoorheen een grasspriet gestoken kon worden om de krekels te kietelen en kwaad te maken zodat ze bereid waren te vechten. Het gevecht ging altijd op leven en dood want een vluchtweg was er niet, zowel in- als uitgang waren afgesloten. Voor het gevecht begon werden de krekels een paar keer een stukje omhoog de lucht in gegooid om ze wakker te schudden. De ene krekel ging aan de ene kant de koker in en de andere krekel de andere kant. Als sumovechters naderden de krekels elkaar langzaam en wanneer ze niet verder wilden, moest de grasspriet hen daartoe aansporen. Als een krekel helemaal knock-out was, werd de strijd gestaakt. In mijn tijd als krijgsgevangene zag ik dat in Siam (Thailand) ook kevergevechten werden gehouden met boktorren.
Knikkeren
December, januari en februari was het knikkertijd. Met kerstmis kregen de jongens van Pa van der Steur behalve een rubberen bal ook knikkers. Overal werd er geknikkerd, op straat, op school, op de paden, overal. Er werd echt om de knikkers gespeeld. De kampioen knikkeraar kon je herkennen aan het aantal zakken met knikkers die hij bij zich droeg. Als de knikkertijd achter de rug was, werden de knikkers als projectielen van de katapult gebruikt.
Zwemmen
Menig Steurtje heeft het zwemmen in de kali (rivier) Progo geleerd. De rivier is niet ver gelegen van de gebouwen van Pa. De gemeente stortte het stadsvuil in deze rivier. Ook mensenlichamen werden er gedumpt. Op een dag zagen we een lijk van een vrouw voorbijdrijven. Ook hebben we eens een lijk op een grote kei zien liggen. De Progo eiste ook offers. Een jongen die een in moeilijkheden geraakte jongen wilde redden kwam zelf in moeilijkheden en verdronk.
Het deed ons niet veel, we bleven toch zwemmen in de Progo. Onze zwemplek lag bovenstrooms boven de gemeentelijke stortplaats. De plek waar we zwommen had niet alleen stromend maar ook stilstaandwater en een klein strandje waar we salto’s konden beoefenen. Na het zwemmen gingen we ons wassen onder een pantjoeran of pancuran, een bamboepijp waaruit irrigatiewater stroomde, om het vuile rivierwater van ons lichaam af te spoelen.
Op een dag tijdens de schoolvakantie verveelden wij, zes jongens, ons rot en besloten toen naar het vijf km verder gelegen zwembad Kali Bening te gaan om daar gratis te zwemmen. Het zwembad had kleine bootjes en een trapeze waar je gratis gebruik van kon maken.
bron: “Belevenissen uit mijn jeugd in Nederlands-Indië”
© 2004, auteur J.F. Geuther.
Volgende keer: Ach, wat smaakt een Steurtje nou niet!
= = = = = = = = =


















































































, de organisatie die zich richt op mensen uit voormalig Nederlands-Indië. Samen met ervaringsdeskundigen en mantelzorgers is Stichting Pelita op zoek naar oplossingsrichtingen voor cultuursensitieve zorg voor Indische en Molukse ouderen.







































Mevrouw Knuppel-Heuvelink werd geportretteerd in 




































Het symposium zondag 14 november 2021 GAAT DOOR!






















































