Eduard Steinmetz schrijft en publiceert over verzwegen familieverleden te Indië, maar ook over verzwegen nationaal koloniaal verleden.
De stille opmars naar apartheid en arrogant bestuur Nederlands-Indië 1920-1940 haalde geest Indonesisch nationalisme uit de fles.
De Indische opvoeding van de latere Gouverneur Generaal Huib van Mook in de eerste twee decennia van de 20e eeuw , de tijd van tempo doeloe, ademde een impliciete ereplicht van ethische politiek en een verlangen naar een ‘vrij en gelukkig Indonesië’ ( van Mook’s levensmotto), voor allen die er geboren en getogen waren. Op school waren destijds weliswaar de meeste leerlingen van Europese komaf, maar er waren ook Chinese, Javaanse en Indische leerlingen. Van raciale animositeit was – toen nog – geen sprake. De stilzwijgende kentering lijkt hem in de periode 1919-1929 te zitten. Pas dan merkt de destijds zo’n 35 jaar oude Huib van Mook, na een lang studieverlofterug in Indië, dat het contact tussen bestuur en bevolking was veranderd. De verhouding tussen bestuursambtenaren en ‘vooraanstaande personen van de inheemsche wereld’ was ‘minder vertrouwelijk’ geworden. Frappant is dat ook Soekarno later op deze toenemende tweedeling wijst. En ook in het verhaal Oeroeg van Hella Haase is de kern van het verhaal de tweespalt tussen de voormalige twee boezemvrienden, de Hollandse ‘Johan’ en de Indonesiër Oeroeg, die in hun 20-er jaren te zeer in verschillende kampen terecht komen om nog vrienden te (kunnen) zijn.
Van Mook wilde daadwerkelijk dat Nederland zijn emancipatoire taak zou volbrengen en dat impliceerde een zelfstandige Indonesische staat, op basis van gelijkwaardigheid in een soort gemenebest met Nederland en Nieuw Guinea alsook de West en Suriname .
Daartoe had hij met een aantal geestverwanten een Vereniging tot Bevordering van de Maatschappelijke en Staatkundige Ontwikkeling van Nederlands Indië met een orgaan ‘De Stuw’ opgericht, welk orgaan er een voor die tijd vooruitstrevende visie op de koloniale samenleving op na hield. Zij was met haar 270 leden de enige en slechts bescheiden tegenhanger van de reactionaire Vaderlandse Club, die maar liefst 6000 leden had en een orgaan met een oplage van maar liefst 10.000 exemplaren; in een omgeving van maximaal 250.000 Europeanen aanzienlijk .
De Vaderlandse Club was opgericht aan de ‘bittertafel’ van de Simpangsociëteit te Soerabaja, was in feite een ondernemers- en werkgeversclub en stond voor krachtige Nederlandse gezagshandhaving en was tegen de ethische politiek en ook tegen het beleid van Gouverneur Generaal De Graeff, voor de conservatieve lijn van GG de Jonge en later GG van Starkenborg
Van Mook vroeg zich af wat de zin was van het ‘uitbundig geopenbaarde verlangen ‘ tot krachtige gezagshandhaving terwijl er al uitermate krachtig werd opgetreden. Zo krachtig dat het beleid elke kritiek van het ‘reactionaire kamp’ kon doorstaan. De aanstichters van opstanden zaten immers langdurig opgeborgen in Boven–Digoel en Soekarno zat achter slot en grendel in Bandoeng. Vervolgens legt van Mook de vinger op de pijnplek, namelijk wat de werkelijke bedoeling van de Vaderlandsche Club was, te weten:
‘ We zijn hier en we zullen hier blijven heerschen; op ons belang zal het bewind blijven ingesteld, wat er van jullie ( lees: de Stuw cs) ook groeit. Het verlangen naar een onafhankelijk volksbestaan komt Indië niet toe. …..; wij die haastig zullen ‘repatriëren’ zodra we ‘binnen’ zijn; die ónze kinderen de Hollandsche opvoeding ( lees: superieur onderwijs & etiquette van de heersende klasse) niet zullen onthouden; die van het millioenenvolk van deze eilanden ons steeds meer verwijderd voelen, ons zelfs vijandig tegenover zijn opleving, zijn ontwikkeling stellen, wij met ónze verlangens en herinneringen in Nederland … , wij zullen krachtig ( lees: met geweld) de overheersing handhaven zolang wij kunnen; wij zullen trachten zolang mogelijk te voorkomen dat in dit land een eigen bewind met een eigen belangenwaardering groeit’.
Scherper had vermoedelijk geen der leden van de Vaderlandse Club het kunnen, maar ook willen verwoorden. Want door deze verwoording werd de Vaderlandse Club als het ware ontmaskerd als de grote club van kolonialen en reactionairen, die zij in feite was. Met vaderlandlievendheid had het weinig te maken. Met economisch eigen belang des te meer.
Zelfs het woord Indonesiër, aanduiding voor zo’n 65 a 70 miljoen inlanders , werd door de Vaderlandse Club al als verraad gezien. De oppermachtige Vaderlandse Club beschuldigde de kleine oppositiegroep ‘de Stuw’ van ondermijning van het Nederlandse gezag en eisten zelfs verbanning van het woord Indonesiër als een uitvinding van revolutionairen en extremisten. Waarop van Mook zich afvroeg of aldus sprake was van het begin van een samenwerking met de fascisten. De NSB bejubelde immers de ondemocratische gezagsuitoefening – in feite dictatuur- van de Gouverneur Generaal.
En nadat de nog mild verwoorde oproep tot zelfbestuur in de petitie Soetardjo ( 1938) vanuit de Volksraad hooghartig door Den Haag was afgewezen, gooide van Starkenborg nog wat meer olie op het vuur. Wat hem betreft zou het nóg wel eens 350 jaar kunnen duren vóór Indië rijp zou zijn voor zelfbestuur. En dan verweet deze reactionaire Vaderlandse Club de Stuw nota bene hooghartigheid. Over de pot en de ketel gesproken…… Het zou binnen 5 jaar als een boemerang op hen terugslaan. Binnen 10 jaar werden zij de archipel uitgewerkt.