Veel ophef over bersiap, al vier weken .
Peter Rufi uit Geldrop vertelt. Herinneringen, overwegingen.
Bersiap, uiting van rassenhaat
1.Dood aan de kolonialen.
Belanda di runtjing, Amerika di strika, Ingris de linggis, Singkeh di tintjang enz.
Ik hoor ze het nog uitschreeuwen en gillen, de Pemoeda’s van de Bersiap, toen ze door de straten van Makassar liepen met bambu runtings en parangs. De rillingen lopen nog altijd over mijn rug en het koud zweet breekt mij uit als ik aan die periode terug denk. Hollanders aan de spies, Amerika onder het strijkijzer, de Engelsen bewerken met breekijzers, van Chinezen gehakt maken. Ook Molukkers, Indiërs en Pakistanen werden niet vergeten. Maar vooral de Indische Nederlanders kregen het zwaar te verduren. Zij waren allemaal de vijand, omdat zij de koloniale belandas hebben gediend.
De haat van de Bersiap was voor 100% gericht op niet-Indonesiërs. Het was dus wel degelijk rassenhaat. Ook al zijn er slachtoffers gevallen onder de eigen Indonesische bevolking, die rijk zijn geworden door voor en met de Belanda’s te werken.
Het Rijksmuseum kan dit onmogelijk ontkennen en het is daarom ronduit schandalig dat zij de Bersiap niet wilde opnemen in hun tentoonstelling.
Gelukkig zijn zij tot inkeer gekomen.
2.Beweegreden Rijksmuseum.
Maar wat was nu reden waarom het Rijksmuseum de Bersiap wilde schrappen?
Het is voornamelijk de opvatting van Bonnie Triyana, Indonesisch historicus. Hij is hoofdredacteur van het online-tijdschrift Historia en secretaris van de Indonesische regeringscommissie die de teruggave van historisch erfgoed door Nederland moet begeleiden. Volgens hem heeft het woord Bersiap een sterk racistisch lading, omdat het geweld enerzijds gericht was op de “Belandas”, de Indische Nederlanders- de Indo’s, de Molukkers, de Chinezen, Indiërs en Pakistani, allen niet-Indonesiërs. Rassenhaat dus van Indonesische zijde. Anderzijds was het koloniale kwalificeren van de Indonesiërs als primitieve en ongeciviliseerde wilden, eveneens rassenhaat. Om te voorkomen dat oude wonden weer zouden worden open gereten, was het beter de Bersiap niet te benoemen. De rassenhaat legt hij wel voornamelijk bij de “Belanda’s en de Indo’s, en benadrukt dat het Bersiapgeweld ook gericht was op rijke Indonesiërs, die met en voor de Belanda’s hebben samen gewerkt. N.m.m. is het hem niet gelukt om: “de kool en de geit” te sparen.
3.Historicus Raben.
De ruggesteun die hij dacht te hebben van historicus Raben, die o.a. stelt dat: de Indonesische zienswijze door de Nederlanders als irrelevant wordt weggezet, mocht niet baten. Deze historicus is bepaald niet objectief, uitgesproken anti-kolonialisme en zeer pro-Indonesië. De directeur van het Museum heeft terecht afgezien van zijn rol als adviseur bij het opzetten van de tentoonstelling.
Hoe het ook zij, het geweld tijdens de Bersiap is door beide partijen gebruikt.
4.Wake-up call voor MERDEKA.
De Bersiap was het trompetsignaal, de klaroenstoot, het startschot voor de Indonesiërs om op te staan, de wapens te grijpen en tot de aanval over te gaan voor de beslissende strijd om onafhankelijkheid en vrijheid: MERDEKA!
De Bersiap was al begonnen vanaf het moment in de 16e eeuw dat de Portugezen, de Engelsen en uiteindelijk de Hollanders, voet aan wal zetten op de Indonesische eilanden. Verzet en opstand tegen uitbuiting, slavernij en mishandeling hebben voortgewoekerd tot halverwege de 20e eeuw en werden steeds met bloedig geweld neergeslagen. Dat voedde de haat en wraakgevoelens. Tot Japan in 1941 oost- Azië wakker schudde en de kwetsbaarheid van de koloniale machthebbers aantoonde. In Nederlands-Indië verloor in één klap de regering het gezag aan de Japanners en dat duurde tot 15 augustus 1945. In die 4 jaar werkte Sukarno zijn plannen uit voor de onafhankelijkheid van Indonesië. Toen Japan capituleerde, ontstond er een machtsvacuüm, die hij wilde uitbuiten. In dat gat sprongen de voornamelijk jonge opstandelingen/vrijheidsstrijders, de Pemoeda’s met hun Bersiap. Zij waren de voorlopers, de stoottroepen van de onafhankelijkheidsstrijd. Zij zijn actief geweest van augustus 1945 tot november 1947, eerst als Bersiap-strijders en vervolgens mede o.l.v. generaal Abdul Harris Nasoetion als guerilla’s . Alle opgekropte haat en woede barstte los en werd verergerd door de komst van Nederlandse troepen. Die moesten de orde en rust herstellen en Indië weer veilig maken voor een voortzetting van het koloniale gezag. Twee politionele acties: operatie Product en Kraai werden opgezet en uitgevoerd. Deze acties waren geografisch beperkt tot de gebieden rond de steden Batavia, Bandoeng, Djokja en Soerabaja. De veroverde en “gepacificeerde” gebieden werden van de “buitenwereld” gescheiden door demarcatielijnen. Deze lijn mocht niet overschreden worden. Vrijheidsstrijders die in “ons” gebied onrust stookten, mochten tot die lijn worden bestreden en achtervolgd. Eenmaal over de lijn en veilig in hun gebied stonden ze onze jongens te provoceren.
Twee van mijn ooms zaten bij het KNIL. Een van hen was marechaussee en heeft in die tijd regelmatig dienst gedaan aan die demarcatielijn en was duidelijk gefrustreerd over hun machteloosheid. Een neef van mij zat als dienstplichtige bij de genie en is regelmatig beschoten tijdens het bouwen van bruggen of bij het mijnen ruimen. Als zij hun verlof bij ons door brachten, vertelden zij in gruwelijke details wat ze meegemaakt hadden en hoe onze jongens bijna net zo gruwelijk reageerden. Zij vertelden ook dat het een onbegonnen zaak werd en we nooit zouden kunnen winnen. In Makassar op Celebes, waar wij na de bevrijding van 15 augustus 1945 woonden, werd er ook flink huisgehouden door de opstandelingen. Australiërs en Gurkha’s hebben daar toen bij afwezigheid van het Nederlands gezag, getracht het geweld te beteugelen. Maar eerst na de komst van het Korps Speciale Troepen met o.a. Westerling, werd het geweld tijdelijk de kop ingedrukt. Maar toen zij vertrokken kwam het geweld nog heviger terug. Bijna dagelijks werden wij geconfronteerd met sporen van geweld, zoals lijken van soldaten met doorgesneden kelen in een betjak(bakfiets voor personenvervoer), of langs de weg in de sloot.
Toen we bij mijn oma in Soerabaja logeerden (mijn oma en mijn tantes waren tijdens de Japanse bezetting zg.buitenkampers) vertelde zij ons van de gruwelen in de Simpangclub en over de moordpartij op vrouwen en kinderen van het Gubeng-transport. Zelf zijn wij ternauwernood aan een slachtpartij ontsnapt, toen we van Soerabaja naar Tretes, een ontspanningsressort in de bergen boven Soerabaja, onderweg vastliepen bij een locatie waar een rampok- en slachtpartij had plaats gevonden. Onder militaire escort mochten we verder rijden.
5.Soevereiniteitsoverdracht: einde Bersiap en geweld.
De vrijheidsstrijders wisten al snel, dat Nederland bakzeil moest halen, temeer omdat de VN met de VS voorop, er op aanstuurden dat Nederland de kolonie zou opgeven. Met die wetenschap werd het geweld nog eens extra opgevoerd, waardoor nog meer Hollandse jongens onnodig sneuvelden en de Indo’s, Molukkers, Chinezen, Indiërs en Pakistanen het geweld nog langer te verduren hadden.
Eerst toen op 27 december 1949 de soevereiniteitsoverdracht een feit werd, kwam er geleidelijk een einde aan het geweld van de Bersiap en de guerrilla, dat met de onafhankelijkheidsstrijd gepaard ging.
6. Bersiap en geweld in de herinnering.
Twee keer heb ik een grote rondreis door Indonesië gemaakt( 1989 en 2008). Ik wilde in ieder geval Bandjermasin op Borneo zien, waar ik “uit de klapperboom werd gespiegeld” zoals mijn pa mijn geboorte noemde. Daar ben ik 3 maanden na mijn geboorte weg gegaan en nooit meer teruggekeerd. En verder alle plaatsen waar ik tot mijn vertrek naar Nederland, heb gewoond en naar school ben geweest. Vanwege ons “nomaden bestaan”,( mijn vader werkte voor de BPM en kreeg na de oorlog de opdracht om olie-installaties in de buitengebieden die door de Jappen werden vernietigd, weer op te bouwen en in werking te stellen) hebben we door practisch de hele archipel gezworven. Medan, Palembang, Pangkal-Pinang, Djakarta, Bandung, Semarang, Djokja, Soerabaja, Malang, Pontianak, Makassar, Bali, Soembawa, Flores, Timor etc.
Tijdens mijn omzwervingen heb ik met veel Indonesiërs jong en oud gesproken over allerlei zaken: tempo doeloe, de oorlog en de Jappen, de Bersiap en de onafhankelijkheidsstrijd, de Pemoeda’s, de politionele acties, de overdracht en het onafhankelijk worden van de Republik en vooral het Indonesië van nu.
Een aantal opmerkingen hebben me wel geraakt:
a. toen ik zei: bapak, weet je wat mij opvalt aan jullie? Jullie zijn zo veranderd, vrijer en jullie praten meer. Nou tuan, dat ziet U wel verkeerd, hoor! Niet wij, maar jullie zijn veranderd. Jullie praten nu MET ons en niet TEGEN ons. En jullie luisteren ook naar ons. Na, itu ja, dat is veranderd!
b. over tempo doeloe kreeg ik te horen: ja voor jullie was dat een mooie tijd; voor ons soms ook,,hoor. Maar meestal niet; alleen maar ja mnir, tuan/ tida meprau/njonja, en opdienen en buigen. Adoe, heb nog pijn in mijn rug, ja.
c. over de oorlog: adoe, kasian ja, jullie. Dipukul terus; Djepang djahat betul , ja.( ai zielig voor jullie, almaar geslagen worden door slechte Jappen).
d. over de buitenkampers: ze waren zeer begaan met hun lot, want ze zagen heel goed dat die tussen twee vuren zaten: de Jappen en de opstandige Pemoeda’s.
e. over de Bersiap en de Pemoeda’s: adoe, itu ja djelek, djahat betul( dat was lelijk en echt slecht); bisa mengerti, tapi djahat betul( kan het wel begrijpen, maar het is echt slecht). De Pemoeda’s waren in hun ogen losgeslagen kwajongens, maar levensgevaarlijk. Maar jullie hadden toch ook de Geuzen in de 80jarige oorlog tegen de Spanjaarden en in WO II tegen de Duitsers?
Wat ze de Pemoeda’s het meest kwalijk namen, was zo als zij dat uitdrukten: ini ja, dia bikin malu bangsa( ze brachten de natie in verlegenheid); en kita tida mau kehilangan muka( wij wilden geen gezichtsverlies lijden! Voor oosterlingen is gezichtsverlies een grote schande.
Het waren best goede gesprekken, waarbij ik toch wel het idee kreeg, dat mij een spiegel werd voorgehouden. Merkwaardig genoeg klonk in de gesprekken heel vaak door, dat zij het vreemd vinden dat wij, de Nederlanders, steeds maar weer de geschiedenis aan het oprakelen zijn. Pertjuma, zeggen ze, voor niets; gedane zaken nemen geen keer. Het meest viel mij op de nuchterheid en realiteitszin van zowel de ouderen als de jongeren wanneer zij op hun eigen wijze hun conclusie samenvatten:
“Ach bapak, itu ja, sudah lama, sudah habis, kenapa membawa lagi itu? Sudahlah!”
“Ach bapak, dat is al lang geleden, is al lang voorbij, waarom dat weer oprakelen? Laat maar!
Peter Rufi. 5 februari 2022. Geldrop.
