Een pikirans van Paul van Geldere
Wereldoorlog II , met medeweten van Keizer : Hirohito.
Onder leiding van Generaal : Hideki Tojo
Mijn verhaal over WOII Door Paul van Geldere
Geboren ben ik in Malang , Oost–Java op 10 maart 1934.
Als kind van een KNIL-militair. Gezinssamenstelling, vader/moeder en èèn broer.
In mijn eerste levensjaar werd mijn vader overgeplaatst naar Tjimahi.
Hier ging ik naar het lo, dit op mijn 6e jaar van ’s morgens 07,00 – tot 13,00 uur.
’s Middags was eigenlijk verplicht rusten maar dat deed ik niet.
Ons huis stond net voor een kampong en met die jongens speelden wij o.a. katrik of verstoppertje in het maisveld.
Op 8 maart 1942 brak WOII ik werd op 10 mrt ‘42 8 jaar.
De lagere school was voor mij 1½ jaar. Onderwijs mocht niet meer voor ons
Het spelen, alles was voorbij. Er werd een kamp gemaakt, om onze straat en een paar andere
werd een omheining gemaakt bestaande uit prikkeldraad en van bilik.
Bilik = gevlochten bamboe.

Tussen deze omheining een ruimte van ±3 mtr. Hier liepen Haiho’s = Indonesiërs in opleiding militair. Er was een voor en achter poort bewaakt door Japanse militairen.
Dit was het ‘’ Baros kamp’’ Het eerste wat wij hier leerden was buigen, buigen en nog eens buigen.
Mijn vader was al op transport gesteld naar Singapore voor uiteindelijk de Birmaspoorweg.
Alle aanwezige radio’s moesten worden ingeleverd bij een bedrijf op de Alun Alun = Open veld.
Wij, mijn moeder, broer en ik maar ook andere mensen werden bij elkaar gehaald en moesten worden verplaatst. Èèn koffer mochten wij mee nemen. Die sleepte mijn moeder mee.
Wij werden per trein vervoerd naar Bandung. De trein was snikheet, geen drinken, niets was er maar wel de zon. In Bandung heet het kamp ” Tjihapit’’. Op een tiker konden wij slapen.
Hier werd mijn moeder blokhoofd en verantwoordelijk gesteld voor de in dit blok wonende mensen. Gesmokkeld werd er . Op een dag zijn er mensen geschaakt en moest het blok aantreden. Hier kreeg mijn moeder toen met een houten lat een paar tikken op haar hoofd, dit vergeef ik de Jap. nooit. Ik was net 9 jaar geworden.
Na een paar maanden moesten wij weer weg. Mijn broer was inmiddels 10 jaar en moest blijven. Mijn moeder en ik naar Semarang met de trein. Wij stonden in de rij voor de gaarkeuken toen ik een mevrouw zag neer vallen. Mijn moeder zei tegen mij ,, Laat maar zij is al overleden,,
Nu werd ik 10 jaar en moest naar het mannen kamp Ambarawa .Kleding had ik nauwelijks nog een hemd en een tjawat als onderbroek. Het eten was nagenoeg altijd Kandji en soms ikan kring. En als wij een kikker konden vangen werd deze tussen een paar stenen dood gemaakt en dan op een vuurtje of een Anglo geroosterd en op gegeten . Anglo = een van steen gemaakt kooktoestel.
Ik moest op het land werken met de patjol, d.i. een schep haaks op de steel. Ook moesten wij op appel komen en aantreden ik had nr.19 van de eerste rei. Tot 19 kan ik nog in het Japans tellen.
Inmiddels werd het 15 augustus 1945 en in eens vlogen er een paar B45 (vliegende forten genoemd) boven ons. Deze strooiden pamfletten uit waarop stond te lezen dat WOII over was.
Dit merkten wij meteen aan de Jap. die opeens gelijk vriendelijker werden. Nu kon ik mijn moeder opzoeken en dan samen naar Bandung.
Mijn broer lag in het ziekenhuis met buikziekte.
Wij bleven nog even in Bandung en mijn moeder met andere mensen gingen naar de pasar. Zij kochten ook wat vlees. De andere dag werd er gezegd,” U mag geen vlees meer kopen” want het bleek mensenvlees te zijn wat er werd verkocht
Dit werd geconstateerd door een Amerikaanse arts die aanwezig was.
Dit was tegelijk het begin van de bersiapperiode. Eind 1945.
Alle mensen met een lichte huidskleur moesten uitkijken om niet gekidnapt te worden. Anders werd je gewoon afgeslacht en, zoals wij merkten, als vlees verkocht op de pasar.
Wij werden nu beschermd door de Jap en Britse militairen.
Begin” 46 konden wij naar Batavia om per schip naar Holland te gaan.
Op 17 juni 1946 kwamen wij in Holland met ’’ss Tegelberg’’. Het land was koud en de Hollanders waren nog kouder. Mijn vader was al in Utrecht bij een zuster van mijn moeder terwijl mijn moeder nog in Indië een brief kreeg van het Rode Kruis dat mijn vader was overleden in Birma
Bij mijn tante aangekomen vroeg zij meteen om Nica geld dat wij gekregen zouden hebben in Port Said tegelijk met wat warme kleding. Zo’n kerkelijke fam. Daar had gelijk genoeg van.
Nu weer naar school Ik was inmiddels 12 jaar en moest naar klas 3 Hier werd ik uitgescholden voor Chinees en pinda maar dat nam ik niet en begon er gelijk op te timmeren nou dat mocht ik niet en moest bij de onderwijzer komen en ging in de houding staan zoals geleerd door de Jap. Deze vertelde mij dat ik hier niet mocht slaan.
In juli vakantie en in september naar kl. 4 deze heb ik helemaal gedaan.
Toen de 5e en de 6e half. Theoretische ondergrond had ik niet.
Ik was door de oorlog veel te speels geworden en zag studie (nog) niet zitten.
Nu naar de Ambachtsschool . Op mijn 17e jaar naar de Marine en hier werd eigenlijk mijn leven gevormd..
Bij de Marine zaten heel veel Indische jongens die net als ik in kampen hebben gezeten.
Wij begrepen elkaar.
Kandji = Stijfsel.
Ikan kring = gedroogde vis en wat gezouten.
Twawat = Japanse lende doek.
Tiker = Matje van dun gevlochten bambu.
Dit is in het kort hetgeen ik heb door gemaakt tijdens en net na WOII.
Als rest hoop ik dat er nooit meer een wereldoorlog zal komen.