In een topic ‘nieuwe haring’ plaatste Pak Pierre een mooi stukje.
Offtopic daar, maar te bijzonder om te laten schieten.
Waarom is er minder aandacht voor de buitenkampers te Indië (ca 220.000) dan voor de groep die in kampen geinterneerd was ? (ca 142.000, waarvan ca 100.000 burgers)
Ik heb in een topic (ik weet niet meer welk en wanneer) geschreven hoe mijn moeder – en met haar mijn zuster en ik – niet in het kamp hoefde en buitenkamper werd, alhoewel reeds opgeroepen zich voor het kamp te melden
“We” zijn de bezettingstijd doorgekomen, t.w. mijn grootmoeder (Omi) van Sumatraans-Javaanse komaf aan het hoofd van de huishouding, haar dochters mijn moeder en inwonende vrijgezellentante, mijn zusje en ik, plus inwonend (in “het paviljoen”) bediendenpaar met allemachtig veel kinderen.
Periodiek kwam er een Chinees op de fiets langs – ik kan hem bijna uittekenen, met indrukwekkende gouden tand in zijn altijd lachende mond en met helmhoed – die in de voorgalerij met Omi onderhandelde over de prijs van een gouden kabajaspeld, ring of gouden tientje, want Omi was voor de oorlog spaarzaam geweest en had regelmatig van haar weduwenpensioen iets van edelmetaal gekocht.
Zo zijn we allen de oorlog doorgekomen. Moeder en tante, beiden onderwijzeres, gaven bovendien thuis – clandestien – Nederlandse les voor een paar gobangs. Ook ik heb van tante lezen, schrijven, taal en rekenen geleerd zodat ik op achtjarige leeftijd, toen de scholen open gingen na de oorlog en bersiap, niet net als zovelen met een achterstand begon.
Ik heb een idee dat “buitenkampers” weinig over hun status praatten omdat:
(1) Zij zich – zeer ten onrechte – schuldig voelden t.o.v. hen, vaak vrienden of familie, die wél achter de kawat verdwenen en het in bepaalde opzichten inderdaad beroerder hadden
(2) Hun lot en leed door de buitenwacht toch niet serieus werden genomen. Die buitenwacht dacht – alweer zeer ten onrechte – dat het normale leven voor de buitenkamper gewoon doorging, net als in het bezette Nederland. De buitenkamper was echter in bijna alle gevallen verstoken van regulier betaald werk en moest maar zien te overleven in een omgeving die hem niet zelden vijandig was gezind. Dat zal uit de film ook wel blijken, ik heb hem (nog) niet gezien.
Ik heb in Nederland vaak van totoks de vraag te horen gekregen of ik “in het kamp” had gezeten. Als ik dan “neen” zei kwam er altijd een opgeluchte reactie, eentje van “gelukkig, nu hoeven we niet droevig te kijken en kunnen we direct verder met onze vrolijke conversatie”. Nooit werd gevraagd hoe “we” als buitenkampers in bezet Nederlands Azië hadden overleefd.
Vijfenzestig jaar continu vrede en welvaart. Kom er maar eens om in de rest van de wereld. Ik heb niet te klagen.
Pak Pierre