
Bo Keller is een vaste I4E-lezer. Hij woonde jarenlang op het terrein van Bronbeek en was o.a. ook een bronbeekgids.
Nu is hij nog steeds betrokken bij evenementen te Bronbeek.
Stekelige struiken in een Nederlandse achtertuin
Het Museum Bronbeek (MB) en het Indisch Herinneringscentrum (IHC) willen ons, de Nederlandse samenleving, jong en oud, een overzicht bieden van de belangrijkste gebeurtenissen tijdens de bezetting van Nederlands Indië door het keizerrijk Japan. Daar is niets op tegen. Integendeel, het is goed dat de jongere generaties kennis nemen van wat zich daarginds in de 2de wereldoorlog heeft afgespeeld.
Toch heb ik mijn bezwaren en wel tegen de hele opzet. Die legt nu, in mijn ogen, té veel de nadruk op de Japanse zaak. Ik noem bij voorbeeld het op de hele zaalvloer geprojecteerde beeld (traject?) van de beruchte Birma – Siam spoorlijn die geallieerde krijgsgevangenen én Indonesische remoesja’s moesten aanleggen voor de Japanners, onder onvoorstelbaar erbarmelijke omstandigheden. Dwars door tropische jungle, over bergen, dalen en snel stromende rivieren, 415 km lang. Het werk kostte tienduizenden krijgsgevangenen en remoesja’s het leven.
Wat beweegt de bedenkers van deze voorstelling ertoe om met gebruikmaking van beelden uit de Japanse oorlogspropaganda uitgebreid te tonen waartoe Japans ingenieursvernuft in staat was, terwijl een twintigtal meters verderop met grote regelmaat jaarlijkse herdenkingen worden gehouden van het onmenselijk optreden van de Japanners in Zuid-Oost Azië, in het kader van hun plannen om één Groot Aziatisch Rijk te scheppen, natuurlijk onder Japanse leiding.
Het stoort mij ook dat tot nu toe zonder enige toelichting levensgrote foto’s van totaal uitgemergelde Nederlandse krijgsgevangenen worden getoond, mensen die in Nederlands Indië als kerngezonde jonge mannen onder de wapenen werden geroepen om een gebied te verdedigen dat tegen de Japanse overmacht onverdedigbaar bleek te zijn. Des te ongelukkiger vind ik deze manier van tentoonstellen, omdat het gebeurt in een tehuis voor mensen die de verschrikkingen van de oorlog in Azië nog aan den lijve hebben ondervonden. Zij worden er dagelijks mee geconfronteerd. Neem de prent van die jonge man met “tjawat”, de schaamlap om zijn naaktheid te verbergen. Wat moet er in hem en zijn lotgenoten zijn omgegaan toen het voor hen duidelijk was, dat ze niets maar dan ook niets van hun “mens zijn” over hadden behalve dat lapje en de wil om de hel te overleven.
.
Hiermee wil en hoop ik geen tranen opwekkend verhaal te hebben neergezet. Maar door de informatie via de bijbehorende videopresentatie en enkele bijgevoegde prenten uit duidelijk Japanse koker, lijkt het nu dat Museum Bronbeek en het IHC via deze NEDERLANDSE ACHTERTUIN het Japanse optreden met de mantel der liefde bedekt en verheft boven het lot van de slachtoffers, de geallieerde militairen die vergeten hadden zich dood te vechten voor een verloren zaak.
Ik hoop dat Museum Bronbeek en het IHC alsnog open oor en oog zullen hebben voor een tentoonstelling waarin de lotgevallen en moedige daden van onze eigen mensen, van welke kleur of landsaard dan ook, beter, duidelijker en evenwichtiger voor het voetlicht worden gebracht. Het lijkt nu alsof Japan het toch maar mooi voor elkaar had. Dat mag zo zijn geweest, maar het is heel pijnlijk voor de nog levende slachtoffers en voor de nabestaanden van hen die het leven lieten. Bij hen hoeft de ellende en vernedering niet nog eens te worden ingewreven.
Bo Keller
