Dit is een verhaal van Ruud Schmitt. Die eerder gepubliceerd is in KRIS-nieuwsbrief met verhalen over Semarang.
!
Overleven in de Japanse tijd
Toen mijn vader, die werkzaam was op het hoofdkantoor van de N(ederlandsch) I(ndische) S(poorweg) M(aatschappij) te Semarang, per 1 januari 1943 werd ontslagen en werd vervangen door een Japanse burgermedewerker kwam er ook een eind aan zijn maandelijkse salaris. Hoe nu verder? Spaarrekeningen waren door de Jap geconfisqueerd en dus moest er heel zuinig worden omgesprongen met het nog in handen aanwezige geld. Maar ook daaraan kwam een eind.
Zoals bij zoveel andere gezinnen in dezelfde situatie werd besloten tot ‘dagang’ (handeldrijven). Maar ja, als je geen bedrijf hebt, wat valt er dan te verhandelen?
Allereerst waren er de sierraden, waarvan de exemplaren met een emotionele waarde zo lang mogelijk werden uitgezonderd. Zilver en goud brachten veel op en er waren gelukkig nog geïnteresseerde handelaren met een goed gevulde portemonnee.
Hoewel het mijn moeder, die zeer bedreven was in het hanteren van naald en draad, zeer aan het hart ging werd de verkoop van sierraden afgewisseld met een geleidelijke verkoop van de, voor haar hobby, voorraad lappen stof en DMC borduurgaren in velerlei kleuren. Vooral dat laatste, waarvan zij een grote voorraad had, was moeilijk verkrijgbaar geworden en dus een gewild artikel. Van de lappen stof werd een deel gehouden om zelf kleren te maken op haar, in ca. 1930 gekochte, Singer trapnaaimachine die (meegekomen naar Nederland) ik nu nóg bezit!
Maar zoals het met een put gaat waaruit niet eindeloos kan worden getapt zonder dat het de gelegenheid krijgt weer op niveau te komen, ging het ook met voornoemde handel; de voorraad raakte aan z’n eind.
Een andere liefhebberij van mijn moeder, wat onze redding bleek te zijn, was kokkerellen en taarten bakken. Ze kwam op het idee om ‘eten buitenshuis’, tegenwoordig noemt men dat cateren, te leveren. Je kon daarmee beginnen, zonder middenstandsdiploma en zonder op je vingers gekeken te worden door een of andere Keuringsdienst.
Haar idee, dat het goedkoper is tegelijk voor velen te koken in plaats van een ieder voor zichzelf, sprak velen aan en via mond-tot-mond reclame wist zij zich een behoorlijke klantenkring te verwerven. Voor haarzelf was het belangrijkst, dat wij konden mee-eten. “Ik hoef er niet rijk van te worden en als ik een centje overhoud ben ik al tevreden.”
De rond het middaguur geleverde maaltijden -en het abonnementsbedrag- waren afhankelijk van de gezinsgrootte en bestonden alleen uit een aantal gerechten; de rijst moest men zelf verzorgen.
Nadat mijn vader en twee oudere broers op zondag 15 maart 1944 op uitnodiging van de Japanse keizer begonnen aan een ‘gastvrij’ verblijf in diverse kampen, stond mijn moeder met drie nog jonge kinderen er alleen voor.
Hoewel nog kind, mocht ik een handje helpen. Wanneer ik vroeg mijn bed uit was, wandelde ik bij zonsopgang met haar mee naar de nabijgelegen pasar Djomblang, niet ver van Tegalwarèng waar wij woonden. Op dit vroege uur was het assortiment nog groot en kon, na veel ‘tawarren’ (afdingen), worden gekozen uit de beste kwaliteit. Als kind had ik voor deze activiteit geen belangstelling. Vol ongeduld wachtte ik altijd op het moment dat ik, na afloop, als ontbijt een keuze mocht maken uit de vele pasarlekkernijen.
Huiswaarts droeg ik de lichte boodschappen en hielp af en toe bij eenvoudige werkzaamheden voor de bereiding van de maaltijd, zoals het ‘kipassen’ (met een waaier aanwakkeren) van het houtskoolvuurtje in de ‘anglo’s’ (aarden komfoortjes) en het aanreiken van diverse benodigdheden. Maar om circa 12.00 uur was ik volwaardig medewerker. Dan stonden de ‘rantangs’ (etensdragers) klaar om zo snel mogelijk te worden bezorgd. De ‘kebon’ (tuinman) nam de verderaf wonenden voor z’n rekening en ik mocht, op mijn fietsje met twee rantangs aan het stuur, de dichtbij wonenden het eten bezorgen.
Nou waren er twee soorten rantangs in gebruik; met een kleine doorsnede voor kleine afnemers en een grotere voor grote gezinnen. Zo lang dat onderscheid werd gehandhaafd was dat geen probleem, maar het gebeurde wel dat de kleine rantangs nog niet allemaal waren terugbezorgd en dus voor een klein gezin noodgedwongen werd geleverd in een grote rantang. Hoewel mij met de meeste nadruk werd gezegd welke van de twee grote rantangs voor het kleine gezin was bestemd, gebeurde het wel eens dat ik mij vergiste en de leveringen verwisselde.
Het kleine gezin zal hebben gedacht “Nou, nou, mevrouw Schmitt is vandaag wel heel royaal!” Maar het grote gezin met abusievelijk te kleine porties stuurde onmiddellijk de ‘baboe dalam’ (binnenmeid) om zich bij ‘njonja Semit’ te beklagen. Onmiddellijk moest ik op het matje komen en bij het kleine gezin de te grote levering terughalen. Nou was dat, indien de rantang nog niet was geleegd, geen probleem. Maar o God, als het eten al in schalen was overgeheveld; dan was er van terughalen geen sprake. Met hangende pootjes ging ik dan huiswaarts, wetend dat mij een fikse uitbrander wachtte, want de te kleine levering aan het grote gezin moest worden aangevuld waardoor er minder overbleef voor onszelf!
Alsof de doordeweekse levering van maaltijden niet al genoeg energie kostte, kwam mijn moeder op het idee om, als extra verdienste, zelf klapperolie te maken. Mijn oudste zuster Paula, die in Oengaran (een bergdorp op ongeveer 10 km ten zuiden van Semarang) woonde, werd ingeschakeld en met enige regelmaat kwamen er twee ‘grobaks’ (ossenkarren) de, in het binnenland zeer voordelig gekochte, klappers afleveren. Deze werden opgeslagen in de ‘goedang’ (schuur) om vervolgens door de kebon te worden ontdaan van de bast en harde binnenschil. Dan klonk het signaal ‘alle hens aan dek’ en werd met z’n allen het vrijgekomen vruchtvlees geraspt en, vermengd met water, uitgeknepen zodat de ‘santen’ (oliehoudende kokosmelk) vrij kwam; een hels karwei!
Nadat de santen een paar keer was gezeefd, werd het overgegoten in twee ‘wadjan’s’ (woks) van zo’n 60 cm doorsnee. Daarna werd de santen op primitieve, door de kebon gebouwde, stenen ovens aan de kook gebracht. Als brandstof diende de schil van de klappers; dat spaarde brandhout.
Nadat het water door de hitte was verdampt bleef de olie over die, na te zijn gefilterd, in flessen werd gegoten voor de verkoop.
Zuinigheid werd betracht en de ‘blondo’ (ingedikt bruine kokos residu op de bodem van de wok) was, eventueel bijgekruid en voorzien van sambal gandaria, een niet te versmaden heerlijkheid bij een bordje warme witte rijst. Het smaakte heel ‘goerih’ (lekker kruidig).
Zoals eerder vermeld, kon mijn moeder ook goed taarten bakken. Een enkele keer liet ze zich overhalen om op bestelling een, meestal chocolade- of mokkataart te leveren. Helaas waren roomboter en tarwemeel niet meer verkrijgbaar. Geen nood, want margarine was nog te koop en rijste- of cassavemeel diende als vervanging van tarwemeel. Bij deze bezigheid zaten wij kinderen altijd ongeduldig te wachten op het moment dat de beslagkom leeg was en wij met het vingertje het langs de wand achtergebleven zoete beslag mochten wegschrapen.
Zo ging de tijd voorbij totdat, in de tweede helft van augustus 1945, zich het gerucht verspreidde dat Japan had gecapituleerd. Buren kwamen langs en bij de, op de voorgalerij op fluistertoon, gevoerde gesprekken voelde ik als kind instinctief dat er iets bijzonders aan de hand was. Tijdens zo’n gesprek kwam een oudere neef mijn moeder opzoeken en bevestigde de capitulatie; hij had het over de radio gehoord. Vreugde alom en de tranen vloeiden rijkelijk. Een dochter van een naaste buurvrouw begon luidkeels het Wilhelmus te zingen en met een “éééh, husch jij!” werd haar door de overige aanwezigen, die nog in de greep waren van in meer dan drie jaar opgekropte angst, het zwijgen opgelegd.
Mijn neef zag de (bij internering van mijn vader) verzegelde deuren van het kantoortje naast de voorgalerij en zei: “Die verzegeling kan er nu wel af” en stond op om de papieren stroken met Japanse karakters te verwijderen. Hevig geschrokken stoof ik krijsend van angst op hem af om het hem te beletten. Onder bedreiging van hel en duivel was het ons kinderen namelijk ingeprent, dat wij van die zegels moesten afblijven. Geruststellende woorden van mijn moeder brachten mij weer tot bedaren.
Aan de bijzondere activiteiten van mijn moeder kwam in de loop van september 1945 een eind toen het nationalisme de kop op stak en vele ‘langganans’ (maaltijdafnemers) het raadzaam vonden te verhuizen naar verderaf gelegen rustiger buurten waar overwegend Nederlanders woonden. Wij volgden hen kort daarop met achterlating van vele, daarna gerampokte, bezittingen.
Als kind besefte ik niet welke inspanning mijn moeder moest leveren om haar kinderen te eten te geven. Pas later en volwassen geworden komt mét het besef, het respect en de dankbaarheid.
Met dit verhaal, waarbij ik mijn moeder als voorbeeld nam, wil ik een hommage brengen aan al die buitenkampse moeders die, dankzij hun grote inzet, met hun gezin de Japanse tijd wisten te overleven.

1994 Semarang, Tegalwarèng 23. Na bijna 50 jaar, een teleur-stellend weerzien met het huis waar zoveel dierbare herinne-ringen liggen. Verwaarloosd en aan de voorzijde fantasieloos uitgebouwd richting straat.