
Na de oorlog duurde het in Nederland lang voordat er aandacht kwam voor het oorlogsverleden en de oorlogsslachtoffers in Indië. Na plaatsing van een urn in het monument op de Dam, het KNIL-monument in Enschede, het vrouwenmonument in Apeldoorn en de Plaquette in de Tweede Kamer te Den Haag kwam in 1988 het Indisch Monument te Den Haag tot stand. Pas vanaf dat jaar kreeg de jaarlijkse herdenking van het einde van de oorlog in Indië een officieel karakter.)
Onderstaand verhaal van de 1974 overleden Tjalie ontdekte ik in dat verband weer terug in zo’n klein AO (actueel onderwerp)boekje uit 1980. Enfin we hebben er daarna op moeten wachten maar ons jaarlijks ‘herdenkingsdrama’ is er gekomen. Voor velen vanaf de 2e generatie zal het omslagpunt in ‘onze’ indische geschiedenis minder leven en bekend zijn maar daarom uiterst belangrijk om niet alleen het einde vd oorlog te herdenken maar ook stil te staan bij het beginpunt van het einde van een tijdperk ‘. Meesterlijk verteld.
P.Lemon
Lali Djiwo ( vergeet mijn ziel ) van Tjalie Robinson
En dan hoef ik maar één woord te zeggen, of duizenden
indischgasten zijn opeens midden in het hart getroffen; en dat woord is TJIATER.
Ja TJIATER was de plaats ( waar vóórdien, noch nádien ooit iemand van hoorde of
iemand kwam om een krans te leggen) waar de laatste slag viel … de genadeslag.
Toen zei de Jap: Capituleer, of ik bombardeer Bandung plat:
NU. Dus capituleerde het KNIL; ja praktisch zonder slag of stoot. Want zelfs een
historische veldslag had niet plaatsgevonden. Tot hier was de speerpunt met
verbijsterende snelheid doorgestoten van de ontzettende lans, die al jaren lang
in China getraind was en gehard tot een medogenloosheid en wreedheid, waar wij geen idee van konden hebben Opgegroeid als wij waren in een vredig land met een vreedzaam volk en waar veel training, jaren lang alleen bestaan had in een rondje van een paar kilometer rond de tangsi met de tamboer voorop om te ‘adjar pas’ (om te leren marcheren) onder commando van een gemoedelijke dikke adjudant als een koddebeier in Lutjebroek.
Neen, niets denigrerends wordt hiermee gezegd; we markeren alleen de tegenstelling… Ik weet het immers zelf uit ervaring. Die gezellige wandeling met de compie buiten Tjimahi, de lucht vol ochtendzon en kwinkelerende vogels. de rustpauze op de berm met broodjes kaas en ijs van de katjongs, die met thermosflessen achter ons aan gezeuld hadden.
‘Boleh Peh, Als zo oorlôôôh…
En op diezelfde ochtend waren met een rotgang op weg naar ons die crack troops uit de Japans Chinese oorlog, die hele bataljons Tjang Kai Chek troepen over de kling gejaagd hadden zonder een ooglid te knipperen, en hele dorpen gijzelaars met grijsaards, vrouwen en kinderen uitgemoord. Op weg naar ons, niet met denderende tanks, maar onhoorbare rubbervoeten met de ‘gespleten hoef’ zoals Djojobojo voorspelde. En op lichte Japanse rotfietsjes, waar wij op neerkeken, maar die letterlijk moorddadig bleken te zijn, bestuurd als ze waren door diezelfde doders als we hebben leren kennen uit de reportage’s van VietNam en Cambodja.
Met meterslange bandeliers patronen en trossen handgranaten en ‘kecke’ samurai zwaarden. Onhoorbaar en onzichtbaar bliksemsnel schuifelend als een cobra en even snel toeslaand; en direct dodelijk. Pas nu we ons na tientallen jaren realiseren, hoe onvoorstelbaar wreed een oorlog kan zijn, kunnen we ons INSTINCT prijzen, dat ons destijds heeft doen capituleren. Ook in het Indonesisch volk zouden onafzienbare massamoorden en vernielingen zijn aangericht. Nu betaalde alleen de laatste kleine garde de rekening.
De Laatse Garde van Tjiater… in die laatste stelling van een handvol Jannen van het KNIL. En een handvol Javanen en Ambonezen. En een handvol Indo milliciëns. De ‘ Masters and the Slaves’ en derzelver kinderen van een koloniaal rijk, waarin de zon niet onderging. Aardige luitjes-weetje- van die laatste stelling. Met Uke in hun ransel en een mondharmonica en een lemper van Maatje en een kwatta van Meitie. Hm. Geen maarschalksstaf of zo. Of zelfs een droom van ‘pisangschillen’ als U nog weet wat sergeant majoors-strepen zijn.
Als een amokgeraakte maaimachine met duizend felle sabels stortte dat Japans leger zich op die dunne menselijke defensielijn. Die in ‘ NO TIME’niet meer bestond. Zelfs wie zich overgaf werd neergeschoten; soms troepjes met puttee’s aan elkaar gebonden en gemitraillleerd. Of onthoofd, man, na man,na man. “The poor guys, they never knew, what hit them’zeggen boksers wel eens als ze door een overwachte slag opeens knock-out zijn gegaan. Ik sprak later een officier, die de slachtpartij had meegemaakt.
Nog steeds had hij die typische in ontzetting opengesperde ogen van iemand, die niet geloven kan wat hij ziet, zo on-indenkbaar en wreed en ontegenhoudbaar. Hij sprak erover met haperende stem, ook al probeerde hij nonchalant een sigaretje te roken. En nog jaren later probeerde hij in gestamelde brokjes versgedichten te maken van leed, erbarmen en God. Ja dat was Tjiater.
Zijn wij ontroerd???
Waarom brengen dan andere volken hormat aan doden, en wij niet??? En
hebben hele herdenkingsdrama’s en wij niet??? Vraag niet en oordeel niet. Neem
waar, dat de Indischman zwijgt en vergeet. Als U niet begrijpt waarom, vergeet
het dan ook maar.
Want hoe willen wij duidelijk maken dat wij op Tjiater de laatste adem uitbliezen van ons Indisch leven. En dat sindsdien ALLES definitief voorbij is??? Zo definitief dat we zelfs onze ziel vergeten zijn???
God behoede je. Kinderen van het Lali Djiwo ( zielsvergetelheid). Kinderen
zonder kerkhoven en zonder bevrijdingsmonumenten. Weet dat, als alles verloren is , vanzelf het uur aangebroken moet zijn van een nieuwe ochtend. En vergeet niet, dat wij , omdat wij kinderen van het Morgenland zijn, de ochtend van een nieuwe ziel het eerst zullen aanschouwen. Zie dan nogmaals voor het laatst dit landschap zoals het schreit zonder tranen. Zoals het getuigt zonder woorden.
En nochtans dichter bij ons hart is dan het dierbaarste dat wij ooit zagen.
Adieu… A Dieu