De kinderen zijn alweer vele jaren het huis uit. De kleinkinderen groeien op. Doortje maakt zich grote zorgen over haar moeder in het verpleeghuis. Tijd … haar leven op een rij te zetten..
Eerder verscheen Anak Beruntung ( gelukskind) deel I .
Eind 1953 gingen we voorgoed naar Nederland, de grond werd te heet onder mijn vaders voeten. Dit keer gingen we met de Willem Ruys, wt een luxe! Vr ons vertrek werd ik genstrueerd hoe mijn gedrag diende te zijn in Nederland. Kijk goed hoe de kinderen zich op school gedragen en probeer niet op te vallen.
Wr kwamen we in den Haag te wonen,we kregen een etage in het Statenkwartier Ik viel met mijn neus in de boter want het zou de strengste winter ooit worden (53-54). Ik leerde binnen een dag schaatsen op de vijvers van het Gemeentemuseum, en later konden we zelfs in onze straat schaatsen (regen en ijzel). Er ging een wereld voor me open. Dat was nog eens iets anders dan kastie en gatrik, al miste ik de vliegergevechten, het maken van glastouw en het terugrennen met een gevonden vlieger. Anak beruntung zei onze baboe (nu pembantu.) dan altijd. Mijn lieve baboe, ik zat na school altijd uren in de bijgebouwen, met mijn vingers zalige dingen uit pisangblad te eten, ik ging bij de bedienden naar de kakoes, totdat daar ooit een eendje in terecht kwam en ik dat arme beestje op de bodem zag piepen met zijn kopje nog boven de drek. Daarna ben ik gewoon in huis naar het toilet gegaan.
Op deze school was ik nou niet direct een van de slimsten, ik bleek behoorlijk achter te zijn, van het vak cijferen had ik nooit gehoord. Ook vond men dat ik mijn Nederlands niet goed sprak, daar was ik wel zr verontwaardigd over, ik zei toch nooit hij heb en hij kn zoals ik zo vaak van de kinderen hoorde?. Maar dat ze waarschijnlijk mijn djedar-djedoer-taaltje bedoelden kwam niet in mij op. Ik deed mijn best, maar merkte toch dat ik het allemaal niet bij kon benen. Buiten de lessen om was ik echter haantje de voorste.
Op een dag kwam ik tussen de middag uit school en ik vertelde mijn moeder dat ik witte lange sokken met kwastjes moest hebben, die droegen de meisjes op school ook. Ze gaan in een donkerblauwe jurk en met die sokken aan mensen helpen met schoonmaken zei ik. En mijn moeder was blij dat ik vriendinnetjes had en mee wilde helpen. Een donkerblauwe jurk had ik en mijn moeder kocht gauw de sokken op de Frederik Hendriklaan. Zo gekleed ging ik n school dus ook helpen. Ik moest goed kijken hoe de kinderen zich gedroegen en ik zou niet opvallen, dt was de afspraak. Ik keek en luisterde goed wanneer ze ergens aanbelden en riepen heitje voor een karweitje! Dan werden ze binnengelaten en kregen een huishoudelijk werkje op, of moesten een boodschap doen. Daarna kregen ze een kwartje.
Dt zag ik wel zitten, een kwartje! En de ijsboer stond op het plein! Na moed verzameld te hebben belde ik aan bij mensen ergens in een bovenhuis aan het plein. Heitje voor een karweitje riep ik vrolijk. En een man kwam beneden met een emmertje en een spons en zei dat ik de bumpers van zijn auto wel schoon mocht boenen. Zo gezegd zo gedaan, en ik liep met mijn kwartje linea recta naar de ijsboer.
s Avonds belde de politie bij ons aan, Mijn ouders waren onthutst, wt had ik gedaan? .. en nee, ik zat niet op de padvinderij. Kennelijk had de man van de auto uit het raam gezien wat ik gedaan had en zag hij mij met een ijsje mijn eigen huis ingaan. De politie bleek er alle begrip voor te hebben, nt in Nederland en we kenden de regels niet. Maar ik had mijn lesje geleerd: de wereld hier was heel wat ingewikkelder dan waar ik vandaan kwam.
Inmiddels was mijn vader op zoek gegaan naar een school waar ik n de lagere school naar toe kon gaan. Mijn ouders hadden een nieuwe benedenwoning gekocht in de Bloemenbuurt, het was bijna afgebouwd en wij zouden daar spoedig naartoe gaan. Mijn ouders waren zuinig op me, zorgzaam, ik mocht nooit te ver uit de buurt gaan. Dus het was nodig dat mijn nieuwe school vlakbij het nieuwe huis zou staan. Mijn vader had geluk: achter ons nieuwe huis werd een school gebouwd. Hij ging kijken, de school was ook bijna afgebouwd en de naam stond er al op. Hij vertelde dat het een leiseffem was (LYCEVM), en dr moest ik naartoe. Ik zakte natuurlijk als een baksteen voor het toelatingsexamen, maar ik moest en zou daar die school toe gaan, want die stond het dichtst bij ons huis. Niet getreurd. Met een soort 7de klas en veel bijlessen kwam ik alsnog op het lyceum terecht. Ik had dus gewoon geboft dat er geen huishoudschool achter ons huis gebouwd werd Anak beruntung
Maar nu kwam ik tot een belangrijke ontdekking! Mijn ouders vertelden me dat ik eigenlijk een andere achternaam had. En nu ik naar deze nieuwe school ging, waarna ook een officieel diploma uitgereikt zou worden, moest ik mijn eigen naam gaan dragen. Hoewel ik in mijn achterhoofd wist dat zij mijn echte ouders niet waren (ik schreef wel eens een brief naar mijn echte moeder), schokte mij dit toch. Ik had al 8 jaar zo geheten, en nu. Ook de nieuwe kennissen van mijn ouders wisten niet beter dan dat ik hun kind was. Het ging zelfs zver dat bij mijn huwelijk twee soorten trouwkaarten werden verstuurd: n met mijn echte naam en n met de naam van mijn pleegouders. Maar ik wende snel, en op de nieuwe school wist iedereen dus mijn echte naam.















































































Enige tijd geleden plaatsten wij een serie over dhr. van Maarseveen en zijn boek 




























































