Freek Kilsdonk in FD
De tijd krijgt steeds meer grip op mijn familie. Dat realiseerde ik me voor het eerst in 2014, toen tante Loeke overleed, de vrouw van oom Peter. Hun appartement stond vol teakhouten meubels en je moest het niet wagen om er weg te gaan zonder lemper (een rolletje van kleefrijst gevuld met kippenvlees) of rissoles (gevulde flensjes) te eten.
Op de crematie zag ik de rest van mijn Indische familie bijeen. De koppen iets grijzer, de kinderen volwassen, kleinkinderen alom. Met het verstrijken van de tijd zou ik geen familie meer hebben die zelf nog ‘onder de waringin heeft gelegen’, de majestueuze boom die in Indonesië welig tiert en waar liedjesschrijver Wouter Muller zo teder over zong.
Het duurde dan ook lang voor ik mij een indo voelde, en er openlijk voor durfde uit te komen. Te lang. Misschien wist ik gewoon te weinig van mijn Indische voorgeschiedenis; mijn grootouders waren al voor mijn geboorte overleden, en ik groeide vooral op met mijn Limburgse familie. Misschien herkende ik me weinig in anderen die er wél Indisch uitzagen, en daardoor vaker op hun uiterlijk werden aangesproken. Misschien was het ook gewoon niet iets om als kind mee bezig te zijn.





















































Uiteindelijk kom je zover dat je je Indische achtergrond gaat herkennen, erkennen en zelfs koesteren. En dat wordt nog versterkt als je ontvangen wordt in Indonesië.