De Leidse geschiedenis van Christiaan Snouck Hurgronje

Op Youtube:
Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) is de bekendste Leidse Islamgeleerde. Minder bekend is dat juist hij de methode bedacht waarmee rond 1900 de koloniale oorlog in Atjeh zowat gewonnen werd. Dit was de bloedigste oorlog uit de Nederlandse geschiedenis.Schrijfster en onderzoekster Vilan van de Loo duikt diep de archieven in en publiceert op Sleutelstad.nl twaalf weken achter elkaar een column. Vanavond om 20.00 uur (10 jan 2019) staat de eerste aflevering online, bekijk hier alvast de introductievideo.
Deze film maakten Kleef & Koop in opdracht van Sleutelstad en Vilan van de Loo.

Luister ook hier.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in diversen. Bookmark de permalink .

14 reacties op De Leidse geschiedenis van Christiaan Snouck Hurgronje

  1. Wal Suparmo zegt:

    Hurgoje na de dood van zijn eerste vrouwen ende laatse met kinderen zo maar verlaten om met een domninee’s dochter (weer) in in Holland te touwen is een mooi voor beelt voorf het Mohammadanisme en Chritendom.

  2. Wal Suparmo zegt:

    Snouck Hurgonje na de dood van zijn eerste vrouwe en de laatse met kinderen zo maar verlaten om met een domninee’s dochter (weer) in in Holland te touwen is een mooi voor beelt voorf het Mohammadanisme en Chritendom.En als apparaat van het koloniaisme In Atjeh

  3. Loekie zegt:

    Dat lees je vaker: ‘Minder bekend is dat…”.
    Maar meestal gaat het om iets dat allang bekend en dat ooit breeduit beschreven en besproken is, maar dat door de tijd naar een achterafhoekje in de herinnering is verplaatst. Wanneer dat iets uit dat hoekje wordt gehaald en weer op het podium wordt geplaatst, dan oogt het voor hele volksstammen als een enorme ontdekking, maar in feite is het ‘gewoon’ een stukje geschiedenis dat weer even in de schijnwerper komt. Niet dat dit niet interessant is. Integendeel.

  4. RLMertens zegt:

    ‘SnouckHurgronje’- Wat is nou werkelijk(!) zijn betekenis geweest in die Atjeh oorlog? Was zij info zo geweest, dat die oorlog ‘zgn. gewonnen’ werd? Want het sijpelde zelfs door (incl. de Japanse tijd) tot aan de overdracht!

    • Jan A.Somers zegt:

      Hij merkte dat de Atjeese vorsten ongeschikte onderhandelingspartners waren, zij hadden totaal geen achterban (en dachten alleen aan hun eigen voortbestaan). Onderhandelingen moesten worden gevoerd mer de religieuze leiders en de plaatselijke volkshoofden. En dat werkte. Tijdens het VOC-bewind, maar ook in de 19e eeuw werden afspraken gemaakt met de vorsten, bezegeld met een contract, een verdrag in volkenrechtelijke zin. Deze verdragen werden vaak niet nagekomen, en na een veelal bloedige terechtwijzing werd dan een nieuw verdrag van vrede en vriendschap gesloten. Afgezien van zo af en toe een bezwering op de Bijbel en Koran, speelde religie in die verdragen met de inheemse vorsten nauwelijks een rol. In Atjeh hadden de vorsten weliswaar macht over hun onderdanen, het gezag berustte echter bij de religieuze leiders en plaatselijke volkshoofden, de oelama’s en de oelèëbalang. In de oorlog werd meerdere malen een vorst overwonnen, was de vorst gevlucht of had de vorst de Nederlandse soevereiniteit erkend. Het maakte niet veel uit. Er was nauwelijks nog sprake van vorstelijke macht, de religieuze leiders hadden de jihad uitgeroepen. De heilige oorlog tegen het op westerse leest geschoeide Nederlands-Indische leger, een strijd die door geen van beide partijen kon worden gewonnen. Handhaving van recht tegenover een martelaarsplaats in het paradijs. Waarbij het regelmatig terugkerende gezichtsverlies van de Nederlanders het verzet van de Atjeërs alleen maar aanwakkerde.
      De religieuze achtergrond van het verzet van de Atjeërs werd in 1892 door Snouck Hurgronje in het ‘Verslag omtrent de religieus politieke toestanden in Atjeh’ beschreven. Snouck Hurgronje was antropoloog en arabist, was moslim geworden en zelfs hadji, en sprak met de Atjeërs in hun eigen taal waardoor hij hun vertrouwen genoot. In zijn hiervoor genoemde verslag voor de Nederlandse regering, in 1893 omgewerkt tot ‘De Atjehers’, beschreef hij, uitgaande van de ceremoniële positie van de sultans en andere vorsten en het feitelijke gezag van de oelama’s en de oelèëbalang, wat er met het beleid in Atjeh allemaal mis was gegaan.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘ongeschikte onderhandelingspartners waren etc.’- Goh, is dat alles? En de Nederlanders wel? Hij schilderde de Atjehse bevolking als; ontucht in allerlei aard; pederastie: men overdrijft niet door deze ondeugd een specialiteit der Atjehers te noemen etc. En hij zelf? (over huwelijks moraal gesproken) Wel raadde hij de tactiek van de rode haan( platbranden van kampongs) af.- Gen.Spoor brandende kampongs, die nb. zijn politionele oorlog voerde volgens het Handboek Atjeh!
        note; ik denk ook niet, dat van Heutz tactiek iets met Snouck info/.advies te maken had.
        Trouwens; hebben we tegenwoordig iets aan die kennis van Islam geleerden?

        • Jan A.Somers zegt:

          “En de Nederlanders wel?” Die vorsten bleken alleen voor zichzelf te spreken! De Nederlanders spraken namens hun volkenrechtelijke soevereiniteit. Uit mijn dissertatie m.b.t. de volkenrechtelijke positie van de VOC:
          Met betrekking tot het diplomatieke opereren van de VOC in Azië was van belang dat de inheemse vorsten werden tegemoet getreden als min of meer soevereine, statelijke entiteiten; niet alleen vanuit de studeerkamer van Hugo de Groot, maar ook in de praktijk van de Compagnie. Maar: Macht wordt vaak genoemd als de basis van het bestaan van de vorstenrijken, de macht van de vorst zou de gang van zaken bepalen, het voortbestaan van zijn rijk. De werkelijkheid achter die macht was echter uiterst gecompliceerd. De vorst moest geaccepteerd zijn door de leden van de koninklijke familie, landedelen, vooraanstaande burgers en geestelijke leiders. Hofhouding en prinsen slaagden er vaak in de mening van de vorst om te buigen waarop deze zijn genomen beslissingen zou moeten herzien.
          Het is de vraag of het overkoepelend pacta sunt servanda, dat een sleutelpositie inneemt bij het verdragsrecht, de partijen kon binden. Vele contracten bevatten wederzijds een eed onder aanroeping van God, de Koran of de Bijbel, een duiding van zelfbinding vanuit het eigen normbesef. Zo’n eed werd door de Compagnie in enkele gevallen van meer waarde geacht dan een handtekening. Mogelijk heeft de Compagnie van meet af aan in deze eed meer vertrouwen gesteld dan in een vaag universeel normbesef.
          Daar komt nog bij dat bij machtswisseling de begunstiging in beginsel ophield, de vorst kon zijn opvolgers niet binden ondanks beloften in die zin. Nog afgezien van de invloed van de hofhouding op reeds genomen beslissingen moest dit alles wel leiden tot de conclusie dat het beginsel pacta sunt servanda bij de analyse van de Aziatische volkenrechtelijke constellatie slechts in zeer beperkte zin bruikbaar is. Vandaar dat Snouck had aangeraden niet in de vorsten te vertrouwen, wat het Nederlandse bewind deed, maar in de religieuze leiders. Het huidige Indonesische beleid t.a.v. Atjeh is daaraan gelijk.

    • Loekie zegt:

      “Wel had mijn verblijf in Arabië, waar ik veel met Atjehers omging, tegenover mijne woning in Mekka lag die van een hunner sjeichs, een soort van Atjehsch hotel, dat ik bijna dagelijks bezocht – mijn dienaangaande veel geleerd, maar toch was een tijd van verkeer met de Atjehers op hun eigen grond noodig om hun leven in zijne voornaamste uitingen te verstaan’, aldus Snouck in het Voorbericht bij zijn verslag over Atjeh. Overigens was Snouck al eerder in Atjeh geweest, in 1889, op een geheime missie voor de Nederlandse regering.

      Men leze over dit alles in De Gids nr. 9/10 van de 140e jaargang 1980.

  5. Boeroeng zegt:

    Niet alleen praten óver moslims maar ook mét moslims. Het is zelfs nu nog niet altijd een vanzelfsprekendheid. In de 19de eeuw gold het als een zeldzaamheid. De Nederlandse geleerde Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) dompelde zich onder in de islamitische wereld en oordeelde van binnenuit. Hij was een van de eerste Nederlanders die wetenschap en regering een inkijk gaven in de islam en zijn aanhangers. Journalist Philip Dröge schreef een biografie over deze opmerkelijke avonturier, die zich bezighield met culturele verschillen die nog steeds actueel zijn.
    TROUW

    • Jan A.Somers zegt:

      Uit Wikipedia: Snouck Hurgronje studeerde aan de Universiteit Leiden theologie en vooral Semitische talen. Hij promoveerde in 1880 cum laude op zijn dissertatie “Het Mekkaansche feest”. De als lector benoemde Snouck leidde daarna Indische bestuursambtenaren op en vertrok in 1884 in opdracht van het Nederlandse Ministerie van Koloniën naar Djedda (Arabië) als voorbereiding van zijn plan om zich als moslim tijdelijk te vestigen in het voor niet moslims ontoegankelijke Mekka. Snouck had in Nederland Arabisch gestudeerd en zocht in Djedda, na zich tot Moslim bekeerd te hebben en zich te hebben laten besnijden, contact met de groot-sjerief, de Turkse gouverneur, die hem weer in contact bracht met gerenommeerde schriftgeleerden uit Mekka. Snouck overtuigde hen van zijn oprechte bedoelingen als moslim, mede vanwege zijn grote kennis van de koran, en werd als gevolg daarvan op 5 januari 1885 als “Abd-el Ghaffar” toegelaten tot Mekka. Zijn verslag over Mekka dat in 1888 onder diezelfde naam verscheen, maakte grote indruk omdat tot dan weinig tot niets over de stad bekend was. Als arabist verwierf hij daarmee grote internationale faam. In 1891 en 1892 reisde Snouck door Atjeh. Hij sprak Atjees, Maleis, Javaans en twaalf andere talen, zodat de gesprekken in zijn hoedanigheid van “Hadji Abd-el Ghaffar” met een bevolking, die deze vrome geloofsgenoot volledig vertrouwde, een betrouwbare basis vormden voor zijn rapporten aan de regering. In 1906 keerde Snouck Hurgronje verbitterd naar Nederland terug, waar hij zich, als hoogleraar Arabisch te Leiden, aan de wetenschap ging wijden. Op 23 januari 1907 hield hij zijn inaugurele rede, getiteld Arabië en Oost-Indië. Snouck was in 1921 en 1922 rector magnificus van de Leidse Universiteit en ontving tal van koninklijke en wetenschappelijke onderscheidingen. Hij was commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Grootkruis van de Orde van Oranje-Nassau, ontving in 1914 een eredoctoraat van de Rijksuniversiteit Groningen en was lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. De eigenzinnige criticus van het Nederlandse koloniale beleid werd ondanks alles in 1927, bij zijn zeventigste verjaardag en het aanstaande afscheid als hoogleraar, door een feestcomité onder voorzitterschap van prins Hendrik geëerd. Van het aan hem aangeboden geldbedrag liet hij het Oosters Instituut in Leiden oprichten.

    • Ronny Geenen zegt:

      @@Niet alleen praten óver moslims maar ook mét moslims. @@

      Valt niet tegen te praten. Probeer dat maar in het midden oosten en Indonesie te doen. Je belandt dan tegelijk in de bajes. Tot vandaag is het nog steeds zo, dat iedere westelijk georiënteerde met of zonder geloof, niet tussen de plaatselijke bevolking kan en mag wonen. Engineers, uitgezonden vanuit Amerika, kunnen alleen tijdelijk in hotels (voor westerlingen) of in compounds terecht. Als je iets negatiefs naar voren brengt, wordt je tegelijk retour terug gestuurd.

    • Arthur Olive zegt:

      “Niet alleen praten over moslims maar ook met moslims”

      Ik kan me nog herinneren dat een zekere oudere Indische dame die in Wassenaar woont voorstelde om Christen te zijn onder Christenen en Moslim onder Moslims.

Laat een reactie achter op Loekie Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.