Discrimineert de backpayregeling in indonesiëwonenden ?

Het Anti Discriminatiebureau Zeeland heeft namens een cliënt een kwestie over de backpayregeling voorgelegd aan het College voor de Rechten van de Mens.
Dit college kan de overheid niet dwingen tot iets, maar wel gezaghebbend adviseren over kwesties.

Ontvangen mail:

Goes, 17 oktober 2016

Geachte leden van het College voor de Rechten van de Mens,
Hierbij verzoeken wij het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) om een onderzoek in te stellen naar onderstaand voorval.

Mogelijk handelt het zich hier om ongelijke behandeling op grond van ras op het terrein sociale bescherming. De klacht heeft betrekking op de Backpay regeling welke onder de ministeriële verantwoording valt van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank te Leiden. De uitkeringsregeling Backpay staat het de Nederlandse staat toe om een éénmalige uitkering toe te kennen aan hen die als ambtenaar of militair ten tijde van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in dienst waren van het Nederlands-Indisch Gouvernement en aan wie gedurende deze periode geen dan wel onvolledig salaris is uitbetaald.

Juridisch kader
In artikel 1 AWGB is bepaald dat onder indirect onderscheid ook ras wettelijk beschermd is.

In artikel 7a, eerste lid, AWGB, is bepaald dat onderscheid op grond van ras is verboden bij sociale bescherming, daaronder begrepen sociale zekerheid en sociale voordelen.

Artikel 26 van het Internationaal Verdrag Inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) bepaalt dat de volken van de leden van de Verenigde Naties allen gelijk zijn voor de wet en zonder discriminatie aanspraak hebben op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras.
Uit aanhangig advies (onder punt 15) behorend bij oordeel 2007-152 van de Commissie Gelijke Behandeling, thans sinds 2002 het College valt op te maken dat Nederlands of Europese wetgeving ook op onderdanen welke niet woonachtig zijn binnen de EU van toepassing kan zijn als de regeling waarvoor de niet EU-onderdaan in aanmerking komt tevens op hem betrekking heeft.

Situatie
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Sport en Welzijn de heer dr. M.J. van Rijn (hierna: de staatssecretaris) heeft op 7 december 2015 in onderhandeling met het Indisch Platform een akkoord bereikt. De uitvoering van dit akkoord heeft geresulteerd in de Uitkeringsregeling Backpay. (bijlage 1)
Om in aanmerking te komen voor de uitkeringsregeling moet de betrokkene volgens artikel 3 van de Uitkeringsregeling Backpay voldoen aan 3 voorwaarden. Te weten:
* Op 15 augustus 2015 in leven zijn;
* Niet door de rechter veroordeeld zijn wegens collaboratie met de Japanners;
* Gedurende (een deel van) de Japanse bezetting niet de Japanse nationaliteit hebben.
In een brief aan de Tweede Kamer (bijlage 2) heeft de staatssecretaris aangegeven dat hij als datum voor het vaststellen van de groep rechthebbenden denkt aan 15 augustus 2015, exact 70 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Nabestaanden van betrokkenen kunnen ook een aanvraag indienen voor de uitkeringsregeling Backpay mits de betrokkene op of na 15 augustus 2015 is overleden.

Discriminatieklacht
De heer R. Thümann (hierna: verzoeker) treedt op namens een groep Indonesische belanghebbenden en erfgenamen welke zich door de Nederlandse overheid gediscrimineerd voelt. Daarnaast maakt verzoeker tevens zelf deel uit van de groep benadeelden. Verzoeker heeft op 10 augustus 2016 in een telefonisch contact met ADB Zeeland een klacht ingediend over de Uitkeringsregeling Backpay op grond van ras.
Verzoeker is door mevrouw W. Vogeler (hierna: erfgenaam in kwestie), woonachtig in Indonesië, gemachtigd om namens haar een klacht in te dienen bij een Nederlandse antidiscriminatievoorziening.
De erfgenaam in kwestie heeft reeds op 24 januari 2016 een aanvraag Uitkeringsregeling Backpay ingediend. Deze aanvraag is middels een formeel besluit van 11 mei 2016 afgewezen (bijlage 3).
In de aanvraag heeft de erfgenaam in kwestie gevraagd op een toepassing van de hardheidsclausule volgens artikel 7 van de Uitkeringsregeling Backpay. Voor de beoordeling van het toepassen van de hardheidsclausule heeft de Commissie van Advies Backpay (hierna: Commissie) een advies uitgebracht (bijlage 4). De Commissie is van mening dat de vermeende voorwaarde om op of na 15 augustus 2015 in leven te zijn een dwingendrechtelijke bepaling is in de Uitkeringsregeling Backpay, waarvan het niet mogelijk is via de hardheidsclausule een uitzondering te maken.
Verzoeker besloot daarom een oordeel aan te vragen bij het College.

Relevante feiten
Met alle medische zorg die in de Westerse wereld, in dit geval Nederland, voor handen ligt, ligt de levensverwachting per 2014 volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek in Nederland op 81 jaar. De levensverwachting in Indonesië daarentegen blijft, volgens de Wereldbank (www.worldbank.org, ’s werelds grootste instituut voor ontwikkelingssamenwerking) met 67 jaar fors achter.
De gestelde datum, 15 augustus 2015, ligt 70 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. 70 jaar an sich is al hoger dan de statistische levensverwachting in Indonesië.
Uit opgevraagde cijfers van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) (bijlage 5) blijkt dat er tot op heden 556 aanvragen in het kader van de Uitkeringsregeling Backpay zijn behandeld. Van deze 556 aanvragen zijn er 494 aanvragen toegekend. Van de 494 aanvragen heeft de SVB 465 uitkeringen ambtelijk toegekend en 29 aanvragen zijn door belanghebbenden of erfgenamen zelf ingediend.
Van de 494 toegekende uitkeringen werden er 380 uitkeringen toegekend aan belanghebbenden in Nederland, 110 uitkeringen toegekend aan belanghebbenden die woonachtig zijn in het buitenland en slechts 4 uitkeringen zijn toegekend aan belanghebbenden die woonachtig zijn in Indonesië.

De gevolgen voor groep Indonesiërs, wier belangen verzoeker behartigt, over dit gebeuren zijn groot.

Verzoeker stelt dat de ogenschijnlijk neutrale voorwaarde, de betrokkene op 15 augustus 2015 in leven dient te zijn, leidt tot het maken van indirect onderscheid. Want, zo stelt hij, de groep mensen die wellicht disproportioneel getroffen wordt door de voorgestelde voorwaarde betreft de groep Indonesiërs die in Indonesië voor 15 augustus 2015 reeds veertien jaar eerder zijn overleden dan Nederlanders woonachtig in Nederland of naar elders dan Indonesië geëmigreerd. Althans gelet op het verschil inzake de levensverwachting van Indonesiërs met de Indonesische nationaliteit en Nederlanders met de Nederlandse nationaliteit.

Voorts concludeert verzoeker aan de hand van het aantal uitgekeerde regelingen, de afgewezen aanvragen en de statistische levensverwachtingen dat een grote groep Indonesiërs door de ogenschijnlijk neutrale voorwaarde (nl. op 15 augustus 2015 nog in leven zijn) wordt benadeeld. De gevolgen van deze voorwaarde zijn disproportioneel ongunstig voor een grote groep Indonesiërs. Dit blijkt uit het feit dat er slechts 4 uitkeringen in het kader van de Backpayregeling zijn overgemaakt naar belanghebbenden die in Indonesië woonachtig zijn.

Tevens is verzoeker van mening dat het middel (de ogenschijnlijk neutrale voorwaarde om op 15 augustus 2015 in leven te zijn) niet passend is om het daadwerkelijke doel van de regeling te bereiken, namelijk hen een financiële compensatie toe kennen voor het mislopen van (een deel van) de soldij en het salaris ten tijde van de Japanse bezetting van 1942 tot en met 1945.

Tot slot stelt verzoeker dat het quasi-neutrale criterium welke door de staatssecretaris is vastgesteld niet redelijk en objectief gerechtvaardigd is en daarmee geen rechtsgeldige reden is. Temeer nu de vastgestelde overlijdensdatum van redelijke grond is ontbloot. Verzoeker is van mening dat de ogenschijnlijk neutrale voorwaarde doet vermoeden dat dit een ontmoedigingsmaatregel is, immers wordt het voor een grote groep Indonesiërs onmogelijk gemaakt om in aanmerking te komen voor deze regeling omdat betrokkenen (statistisch gezien) nagenoeg geen kans maakten om aan de voorwaarde te voldoen.

Wij vragen u bij deze om onderzoek te doen naar vermeende ongelijke behandeling door zowel de staatssecretaris als de SVB op grond van ras door een datum te hanteren waarvan statistieken aantonen dat een grote groep mensen op die datum niet meer in leven zou kunnen zijn en juist deze groep daardoor uitsluit van een voor hen bedoelde genoegdoening. Verzoeker veronderstelt immers dat ook de SVB bij de uitvoering van de Backpay regeling rekening dient te houden met het verbod op discriminatie. De SVB zou volgens verzoeker bij het voeren van een redelijk sociaal beleid, indien aan alle gestelde voorwaarden is voldaan behalve aan één voorwaarde (het niet in leven zijn op of na 15 augustus 2015), toch de uitzondering dienen toe te passen met betrekking tot de overlijdensdatum van de belanghebbenden.

Tot slot verzoeken wij het College rekening te houden met de hoge leeftijd van betrokkenen (veelal 90+) en de naderende einddatum waarop men een aanvraag voor de Uitkeringsregeling Backpay kan indienen, namelijk 1 januari 2017. Voor zover bekend heeft de staatssecretaris (nog) geen gebruik gemaakt van de op grond van artikel 6 lid 2 bepaalde mogelijkheid deze uiterlijke datum uit te stellen. Het is daarom wenselijk deze gebeurtenis met enige spoed te onderzoeken.

Met vriendelijke groet,    namens ADB Zeeland
stilletocht_2013

Dit bericht werd geplaatst in diversen. Bookmark de permalink .

10 reacties op Discrimineert de backpayregeling in indonesiëwonenden ?

  1. Wal Suparmo zegt:

    De beslissing van de SVB aan mij is gemeen/fals met te schrijven dat ik kan reclamering /proceren bij de Rechtbank in Den Haag.

    • Boeroeng zegt:

      Maar waar ging je aanvraag over?
      Ging het om backpay voor je oom die al ver voor 15 augustus 2015 was overleden?
      Niemand heeft erfrechten voor iemand dan al overleden.

      • Wal Suparmo zegt:

        BOEROENG:Niemand heeft erfrechten voor iemand dan al overleden.
        Wel via( een plicht van) de WEESKAMER.Maar de Holl.regering heeft immers geen zin om mensen di Indonesia wonen tehelpen.

  2. Wal Suparmo zegt:

    VERBETERING: proceren moet zijn procedering.

  3. Boeroeng zegt:

    Die datum van 15 augustus 2015 is niet gekozen op basis van ras of etnische afkomst of woonplaats.
    Het is nogal geforceerd om hier een discriminatie van etnische of rasafkomst in te zien

    Die sluitingsdatum is ook niet gekozen vanwege de gemiddelde levensverwachting in Nederland. Het is wel gekozen om de derde afkoopsom zo voordelig mogelijk te houden.
    Het deugt natuurlijk niet mensen in Indonesië wonend een privilege te geven op deze manier.
    Dat is discriminerend naar woonland.

  4. ellen zegt:

    https://www.mensenrechten.nl/over-ons/waarvoor-kunt-u-bij-het-college-terecht
    Dit is het College voor de Rechten van de Mens te Utrecht, ingesteld vanwege de Overheid. Het college velt over een ingediende zaak – na een half jaar – een oordeel.
    Het College voor de Rechten van de Mens belicht, bewaakt en beschermt mensenrechten, bevordert de naleving van mensenrechten (inclusief gelijke behandeling) in praktijk, beleid en wetgeving, en vergroot het bewustzijn van mensenrechten in Nederland.

  5. PLemon zegt:

    Je zou denken dat als er tot een uitkering op morele gronden is besloten voor nog levenden en daarvoor een deadline is vastgesteld, er geen speld meer tussen te krijgen is.
    Maar misschien is dit strenge criterium ook wel moreel verwerpelijk?

    *** Toenemende druk vanuit Indisch Nederland om toch iets te doen aan wat de Indische Kwestie was gaan heten, leidde uiteindelijk tot de opmerkelijke toezegging van Van Rijn. De staatssecretaris wilde uit morele overwegingen de mensen die tijdens de oorlog in Nederlands-Indië in dienst waren geweest tegemoetkomen.
    Neen, hij was dat niet juridisch verplicht, dus het was ook niet hun recht. Het is een financiële regeling op MORELE gronden. Waarmee hij uiteraard hoopte dat een einde aan de Indische Kwestie zou  komen.  

    De paar Molukse KNIL-militairen die nu in aanmerking komen voor de morele Backpay zijn allemaal Soldadoe Toea’s, zoals de generatie Molukse militairen die voor de oorlog in dienst waren getreden ook wel werd genoemd. Ooit berekende ik dat van de Molukse KNIL-militairen die naar Nederland waren gekomen er 40% voor de oorlog in dienst was getreden. Ofwel 1.400 van de 3.500, die toen geen salaris hebben gekregen omdat ze krijgsgevangen waren en dwangarbeid verricht hebben. Van die 1.400 krijgt nu een, met alle respect, ‘handjevol’ alsnog Backpay, achteraf betaald? Hoewel! Eigenlijk is het niet eens Backpay, het is immers een MOREEL gebaar. Het is een afkoop. Maar van wat en ván wie of vóór wie? Die onduidelijkheid voelt wel heel erg ongemakkelijk voor alle betrokkenen, Indisch en Moluks. http://85.158.251.41/wps/portal/muma/!ut/p/c0/04_SB8K8xLLM9MSSzPy8xBz9CP0os3gTL09fCxNDMwN3Pz8DA0cDEz9j0wAvo1AfA_3gvBz9gmxHRQDp68Ye/

  6. Ronald Thumann zegt:

    ADB heeft aangegeven: “Tevens is verzoeker van mening dat het middel (de ogenschijnlijk neutrale voorwaarde om op 15 augustus 2015 in leven te zijn) niet passend is om het daadwerkelijke doel van de regeling te bereiken, namelijk hen een financiële compensatie toe kennen voor het mislopen van (een deel van) de soldij en het salaris ten tijde van de Japanse bezetting van 1942 tot en met 1945.”.
    Voor de duidelijkheid. In geval het middel niet passend is om het doel van de regeling te bereiken dan volgens vaste jurisprudentie van de CRVB te Utrecht en Hoge Raad het middel niet geschikt is en dus sprake is van verboden discriminatie als bedoeld in o.m. artikel 26 IVBPR. Dit geldt ook als met het middel slechts een beperkt aantal van de belanghebbenden -zij dei op of na 15 augustus 2015 in leven zijn- de uitkering wel krijgen. Dit betekent dat in dat geval de SVB de nationale wet “Uitkeringsregeling backpay” verdragsconform (IVBPR) moet uitleggen en dit niet anders kan betekenen dat de SVB bij de beoordeling of recht bestaat op de uitkering de neutrale voorwaarde om op 15 augustus 2015 in leven te zijnde buiten toepassing moet laten en dus 25.000,00 Euro dient uit te keren aan alle belanghebbenden of indien zij reeds zijn overleden aan hun erfgenamen, in dit laatste geval ongeacht de overlijdensdatum. Het doel van deze klacht bij het College is dus dat ook alle erfgenamen zowel in Nederland als in Indonesie en elders die 25.000 Euro krijgen.

  7. Ronald Thumann zegt:

    Anti Disriminatie Bureau Zeeland heeft het navolgende geschreven:
    “Goes, 16 november 2016.
    Geachte heer Thümann,
    Zojuist heb ik overleg gehad met de behandelaar van het verzoek om een oordeel bij het College voor de Rechten van de Mens te Utrecht.
    De behandelaar had wat korte inhoudelijke vragen die ik heb kunnen beantwoorden. Het College heeft het verzoek nu officieel in onderzoek genomen. De behandelaar gaat nu de staatssecretaris van VWS vragen stellen en verzoeken te reageren op het verzoek om een oordeel. Tevens zal ze de SVB vragen om als informant bij de hoorzitting aanwezig te zijn. Het college is voornemens om de hoorzitting in januari 2017 te laten plaatsvinden.

    Het College geeft aan dat mede vanwege de complexiteit van deze casus zij geen gehoor kan geven aan ons verzoek om de zaak met spoed te behandelen. Wanneer de hoorzitting heeft plaatsgevonden doet het College binnen 6 tot 8 weken uitspraak.

    Tot zover, met vriendelijke groet,

    Stefano La Heijne
    Consulent discriminatiezaken”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.