Spoorlijn naar de vrijheid 2

SPOORLIJN NAAR DE VRIJHEID
(1942 – 1946)

Hoofdstuk 2. OVERLEVEN ALS KRIJGSGEVANGENE

Bewaking
De bewaking van de kampen was soepel. Op weg naar de werkplek gaf de Japanse bewaker soms zijn geweer aan een krijgsgevangene om het te dragen. De bewaker was niet bang dat hij gedood zou worden of dat er een krijgsgevangene zou vluchten. Voor het doden van een Japanner stond onthoofding als straf. En vluchten? Waarheen? Alles om ons heen was oerwoud.

Slapen en kleding
We sliepen in bamboebarakken in rijen naast en boven elkaar. Eigen spullen hadden we zo goed als niet: een lendedoek, een vest dat vol klerenluizen zat, soms een hoofdkussentje en een lapje dat als handdoek of reserve schaamlap diende, dat was ons hebben en houden. De werkkleding was voor de meesten van ons een tjawet, een soort luier.

Ziekte
Zieke krijgsgevangenen werden door de Jap slecht behandeld. Trouwens ook hun eigen zieken behandelden ze slecht. Een zieke was voor hen niets waard omdat die niet productief is. Een gezond iemand daarentegen werd gewaardeerd, die werd voorgetrokken met voedsel en soms met privileges. Voor zieken met dysenterie hadden de Jappen grote angst. Ze meden de barak waar deze zieken lagen.
Er waren veel doden te betreuren. Dood door ziekte, door ondervoeding, door heimwee, door piekeren naar huis, naar vrouw en kinderen. Ik had geen last van piekerans, ik was immers vrijgezel.
Wij hadden eigen artsen in het kamp die zich over de zieken ontfermden. De Romusha’s, de geronselde dwangarbeiders, hadden die niet. Als één van hen ziek was, kon geen dokter hem helpen. Vele van deze Romusha’s kregen diarree of malaria. Niemand keek naar hen om. Ze lagen langs de weg te creperen, wachtend op de dood.
Onze artsen hadden het moeilijk want medicijnen hadden ze niet. Gelukkig waren er onder ons ook mannen die verstand hadden van kruiden als medicijn. Tijdens werkpauzes gingen ze deze kruiden zoeken in het oerwoud.
Medicijn om een tropische zweer te behandelen was er niet, al het pus van de zweer moest worden uitgelepeld of er werd een gekweekte made van een vlieg op de zweer geplaatst. Deze made at dan al het vuil van de zweer op. De gekweekte maden werden ook gebruikt voor zieken die heel erg verzwakt waren. De maden werden in een pan geroosterd en het vet werd aan de zieke te eten gegeven.
Ik had in krijgsgevangenschap niet zoveel problemen. Ik was nog jong, had een sterk lichaam en had geen piekerans. Als je werkt heb je geen tijd om te piekeren, bovendien houdt het je lichaam fit. Ernstig ziek was ik nooit. Ik heb alleen een lichte diarree gehad en tegen het einde van de oorlog was ik nachtblind door gebrek aan vitamine A. Ook had ik malaria. De nachtblindheid ging vanzelf over toen na de oorlog ik genoeg te eten had. De malaria werd met een pillenkuur gestopt.

Eten
Het eten was karig en schraal. ’s Ochtends rijstepap. Flauw, smakeloos. Daarom waren we ook zuinig met het stukje zout of suiker dat we hadden. Een likje op het bruinesuikerklontje, dan een lepel pap de mond in. Overdag bestond het eten uit rijst met wat gezoute vis of adellijk vlees (vlees wat aan het rotten was of waar maden op zaten) en wat sajoer. Het avondeten was hetzelfde, weinig dus. Tijdens de eetpauzes zochten we naar eetbare groenten in het oerwoud. Slangen of ratten waren welkom. Een echte traktatie.
In vergelijking met de Engelse en Australische krijgsgevangen waren er onder de Nederlandse krijgsgevangenen niet veel doden dankzij onze kennis van kruiden en eetbare wilde groenten. Zoals gezegd was het eten karig maar het was net voldoende, je had wat in je buik. De Nederlanders, die op Java door de Jap geïnterneerd waren, hadden het wat het eten betreft veel slechter.

Bombardementen
De kampen waarvan de geallieerden vermoedden of zagen dat er vaten met olie opgeslagen lagen, werden soms gebombardeerd. De kampen waar ik zat hadden geen last van de bombardementen. Pas tegen het einde van de oorlog werd een kamp waar ik gevangen zat gebombardeerd. De geallieerden dachten dat daar een luchtafweergeschut stond opgesteld, maar het waren niets anders dan boomstammen die als namaak luchtdoelgeschut opgesteld stonden. Dat “geschut” werd getroffen door een bom. De geallieerden dachten dat ze doel hadden getroffen maar de Jappen lachten, ze hadden de vijand beetgenomen.

spoorlijn_geuther4Houten spoorbrug, Tamarkan, Thailand. c. 1945
(bron: http://www.awm.gov.au)

Tegen het einde van de oorlog zat ik in het kamp Tamarkan (Tha Makhan) in Thailand. Het kamp werd meerdere malen door de geallieerden gebombardeerd. Ik vermoedde dat de bommen bestemd waren voor de spoorbrug (de River Kwai Bridge) die daar in de buurt was. De brug was namelijk al eerder door bommen getroffen. Treintransporten moesten voor de brug stoppen. De reizigers, voor een groot deel Japanse soldaten, moesten door de rivier waden om aan de over¬kant te komen.
Goederen werden uitgeladen en met mankracht naar de overkant van de rivier gedragen en daar op een wachtende trein geladen. Dit alles werd ’s-nachts gedaan. Tijdens het overbrengen van de goederen werd veel gestolen. De draagstokken (jukken) waren van dikke bamboe, en er kon veel in de holle bamboe¬stok worden gestopt. Kippen werd de nek omgedraaid. Ook onder hoeden werden gestolen spullen verstopt. Een Jap zag een krijgsgevangene eieren onder zijn hoed stoppen. Toen die man hem passeerde gaf de Jap een klap op die hoed. Een lol dat die Jap had!

Lees deel 1,

Dit bericht werd geplaatst in Gast Pikirans. Bookmark de permalink .

7 reacties op Spoorlijn naar de vrijheid 2

  1. Anoniem zegt:

    Tribute to my father

    How vivid a memory can be, like the one I have, about the day that my father came home
    from prison, being a prisoner of war, captured by the Japenese.
    He left when my mum was pregnant, so when I was born he was not around but working
    hard on the birma railroad, almost starving to death, (little to nothing food there was.)
    My year of birth is 1942, he came back home around 1945, so I was now 3 years old…
    During the war I was surrounded, by women and women only, like my mum, aunts and women-friends from my mum, maybe i saw occasional a man or two.

    Here comes my so vivid memory; me and my mum were in the garden waiting for my father to come home to us , after years of a horrific war. My mum was carrying me in her arms.
    And there he was, my father, looking very poorly, skinny to the bone, hair shaved , a bit bewildered.
    He was actually never strong enough to do hard physical labourwork, little fragile man he was, he was a bookkeeper, who also wanted to study medicine, he proved however to be
    strong enough to survive all of this.He was not much of a fighter, let alone a killer, if anything may-be a lady killer!
    For him and me this was the first time we saw one another, ofcourse he wanted to take me from my mum’s arms and carry me, kiss me, hug me. I would not let him, I was scared of this strange bewildered looking man, who was my father, I hardley knew what that meant anyway, thought the
    world only exist of women.
    My mum put me down and I hide behind her skirt and hang on to her legs.

    Here is were my memory stops, as it goes with memories.Have no memory how it went further, do know that in the end I loved my father , it was like he had been always around, never went away.

    A vivid memory, captured for a lifetime, one I treasure, one wich is mine….

    Ja ik herdenk, mijn moeder was een van de vele buitenkampers..met 4 kinderen..

  2. Anoniem zegt:

    Noem mij maar gewoon Tota Top

  3. Huib Otto zegt:

    @Tota Top
    Een ontroerend verhaal en voor mij heel herkenbaar als 3,5 jarige toen mijn vader uit zicht verdween om 3.5 jaar als krijgsgevangene dwangarbeid te verrichten.
    Als ik 7 was (ik ben van 1938) kwam hij thuis. Meer dood dan levend want hij was totaal verzwakt Wij woonden op dat moment in een wijk in Bandoeng Noord genaamd Indisch Bronbeek .
    Ik herinner me hem alleen dat hij ziek op bed lag, uiteraard zonder hulp van een arts of dokter.
    Ook mijn moeder was een Buitenkamper en kon met haar gezin de oorlog ternauwernood overleven met haar jonge kinderen met de hulp van oma Besje (Elisabeth), nichten en vriendinnen
    Want er was geen of nauwelijks geld om aan eten te komen.
    Helaas werd de wijk in September bezet door pemoeda’s en in Oktober of November werden alle mannen, ook mijn doodzieke vader van huis gehaald en afgevoerd om nooit meer thuis te komen.
    33 Mensen werden op wrede wijze de keel door gesneden en getjingtjangt blijkens het rapport Bersiap in Bandoeng van Mary van Delden.
    Daarom vind ik dat er ook een monument voor Buitenkampmoeders, oma’s en tantes moet komen en natuurlijk ook voor de Bersiap slachtoffers. Deze groepen worden tot op heden nagenoeg letterlijk dood gezwegen.
    Huib

    • Anoniem zegt:

      Helemaal mee eens Huib! Ik ben pas meer gaan realiseren over de buitekampers, door de docu van Hetty..mijn moeder zie wel eens wat..maar heel voorzichtig..(soedah laat maar) en wij hebben geluk gehad kan ik je vertellen!! (bersiaptijd etc.)
      En dank voor je reactie!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.