Indische verhalen van vertrek en aankomst

Gisteren werd ik benaderd door Het Scheepvaartmuseum om op de 60e editie van de Indische Tong Tong Fair in Den Haag een workshop te verzorgen over interviewen en het vastleggen van (Indische) verhalen en herinneringen. Dit in aanloop naar de tentoonstelling over het repatriëringsschip De Oranje, die vanaf 8 september a.s. in Het Scheepvaartmuseum te zien zal zijn. Yvette Kopijn

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in agenda - evenementen, TTF 2018. Bookmark de permalink .

20 reacties op Indische verhalen van vertrek en aankomst

  1. Loekie zegt:

    Zal aan mij liggen, maar als je een en ander leest, zie ik het verband niet tussen de komende tentoonstelling over De Oranje en het vastleggen van verhalen en herinneringen. Ik bedoel: voor dat vastleggen heb je De Oranje niet nodig. Bovendien geschiedt dat vastleggen van Indische verhalen en herinneringen al vele decennia. Wat is dan wel de bedoeling, vraag ik mij af. Als ik Yvette dan zoek op LinkedIn en lees dat het haar (wetenschappelijk) beroep is om verhalen van migranten en hun nazaten vast te leggen, dan snap ik haar workshop wel, maar de link met De Oranje (of met de Ruys, de Sibajak, de Johan enz) ontgaat mij nog steeds.

    https://www.linkedin.com/in/yvette-kopijn-4b65498

    https://nl.linkedin.com/pulse/de-helende-kracht-van-levensverhalen-yvette-kopijn

  2. e.m. zegt:

    De link zit ‘m vermoedelijk in het begrip @repatriëringsschip@

    Ik weet niet of De Oranje het allereerste schip was dat binnenvoer vol met ‘onvertelde’ Indische verhalen. Maar uit het hoofd, kan het ook de Nieuw Amsterdam zijn geweest. Ik wil gecorrigeerd worden !

    • Arthur Olive zegt:

      Ik weet niet wat het allereerste repatrieringsschip was maar wij vertrokken de eerste keer in 1946 met de Klipfontein. Het was een troepen transport schip en was van alle ongemakken voorzien. Douchen en wc’s back to back op een rij zonder privacy.De zeemijnen voor het Suezkanaal waren pas opgeruimd zodat we niet om de Kaap moesten varen.
      De bemanning was Nederlandse officieren en Tamil werkkrachten.
      In 1948 gingen we weer terug met de Johan van Olden Barneveld maar hoefden onze kleren niet terug te geven in Ataka.

      • Jan A.Somers zegt:

        Ik weet ook niet waarom gekozen is voor de Oranje. Dat was luxe, net als de Willem Ruys, na de oorlog in de vaart gekomen, ik heb haar in Vlissingen nog van stapel zien lopen. Zo krijg je toch een gedeeltelijk vertekend beeld. Ik ben in 1946 met de Sloterdijk gekomen, net als de Klipfontein een troepentransportschip. Tijdens de oorlog gebouwd, ruimen met vijf hoog bedden. Als corveeër met honderd gulden gage. Hard werken, maar gelachen dat we hebben!

  3. Loekie zegt:

    Hoe het zij: misschien kan ze beter volgend jaar een eigen stand nemen op de TTF met de naam ‘Vertel mij uw verhaal’. Na afloop van de TTF heeft ze dan minimaal 100 verhalen om te verwerken in haar boeken en andere publicaties. Behalve natuurlijk als op de eerste dag die Italiaan haar stand binnenstapt. Die is nogal lang van stof en dan heeft ze na afloop maar 1 verhaal. Niet onmogelijk dat ze daarna een ander beroep kiest.

    • Bert zegt:

      Ha ha ha die Loekie ! zo ken ik je weer ,tja ik was toevallig ook op die boot in 1951 maar ik weet me er weinig van te herinneren reden ? was misschien te jong 2 jaar een andere reden kan zijn dat ik toen al aan de alcohol was en ja dan krijg je al gauw Korsakof mijn familie heeft 2 fotoboeken van die trip met de Oranje of ik de behoefte heb om mijn /hun verhaal te vertellen ? TOTAAL NIET ! Dat is iets van jezelf en je familie ,dat iemand anders het wel doet ? Ook goed moet ieder voor zich zelf weten .

      • Ron Geenen zegt:

        @TOTAAL NIET ! Dat is iets van jezelf en je familie ,dat iemand anders het wel doet ? Ook goed moet ieder voor zich zelf weten .@

        Toch zijn de meeste verhalen van de Indische mensen fascinerend, bijzonder en apart. Daarbij weet je ook dat zij die de verhalen nog kennen, heel dun gezaaid zijn. Het vastleggen voor de latere generaties, waarvan velen nu nog geen waarden aan hechten, kan dan heus de moeite waard zijn. Heb een vriend, je weet wel de movie star Norm de Buck, die ook een drukkerij voor 25 jaren heeft, al gevraagd om al mijn Engelse en Nederlandse verhalen af te drukken en te bundelen.

    • Jan A.Somers zegt:

      “Na afloop van de TTF heeft ze dan minimaal 100 verhalen ” U kunt ook naar de database van de SMGI in Leiden gaan. Interviews van 720 mensen, 2800 uren luisteren! Ook van de mensen die sinds 2001 zijn overleden.

      • Ron Geenen zegt:

        @U kunt ook naar de database van de SMGI in Leiden gaan. Interviews van 720 mensen, 2800 uren luisteren! @

        Waarom gaat u niet naar SMGI en doet een goed woord voor ons Indo’s in het buitenland. Vraagt hun om al die mooie verhalen via hun website op het internet te plaatsen. Vele Indo’s in de States zijn daar wel in geïnteresseerd. In Oregon is een klein Indo clubje van nog geen 100 man en die hebben mij ook al gevraagd of ze mijn verhalen in hun maandelijkse krantje mogen plaatsen. Het Indo kleine tijdschrift gaat naar 18 landen. Komt regelmatig mensen tegen en of ik hun verhaal ook wil publiceren. U doet ons een groot plezier.

        • Jan A.Somers zegt:

          “Waarom gaat u niet naar SMGI” Waarom zou ik? Na vele uren de samenvattingen bestuderen nog eens 2800 uren luisteren, en dan nog uit die gesprekken je verhaal opschrijven. Wie betaalt dat voor nul,nul belangstelling? Er is ruim reclame voor gemaakt, maar werd nauwelijks op gereageerd. Uit mijn contacten indertijd kreeg ik alleen twee namen van de belangstelling: Een zekere heer Bussemaker (was door mij dochter geïnterviewd), en een zekere heer Somers. Bovendien staan van alle interviews samenvattingen op de website. Was geen belangstelling voor. Het was een veeg teken dat die database werd overgeheveld van het KITLV naar de Leidse universiteitsbibliotheek. Die samenvattingen zijn inhoudelijk natuurlijk niet volledig, maar om een keuze te kunnen maken voor het beluisteren. Het is ok handig contact op te nemen met de gheestelijke vader, Fridus Steijlen. Hieronder zo’n samenvatting: (maar ik heb zo’n idee dat Boeroeng dit schrapt. Hij is best aardig en geduldig, maar alles met mate!!!

          Samenvatting van interview: 1661.1
          Geinterviewde: Somers, J.A. (Jan)
          (01) Meneer Somers begint met iets te vertellen over de achtergrond van zijn vader en moeder. Zijn vader werkt voor de gouvernementsmarine en is het grootste gedeelte van het jaar van huis. Meneer Somers zelf wordt in 1930 in Soerabaja geboren. Na een verlof in Nederland woont hij in 1935 een jaar in Batavia. Hij beschrijft de enkele herinneringen die hij heeft aan de periode in Batavia. In 1936 verhuist hij weer naar Soerabaja.
          (02) In Soerabaja wonen ze achter de katholieke broederschool, waar hij naar school gaat. Het onderwijs is er volgens hem bijzonder goed. Hij beschrijft het huis in Soerabaja. Hij heeft een eigen baboe die voor hem zorgt.
          (03) Het leven in die tijd wordt beheerst door een soort vanzelfsprekendheid. In het dagelijks leven heeft hij meer contact met de baboe dan met zijn moeder. Zijn moeder wordt als Indische vrouw vaak met de nek aangekeken. Hierover wordt nooit gepraat en hij is zich als kind niet bewust van het onderscheid tussen de verschillende bevolkingsgroepen.
          (04) In 1940 gaat het geplande verlof naar Nederland niet door vanwege de oorlog. Nederland zegt hem niets, maar hij herinnert zich wel de reacties op het uitbreken van de oorlog in Nederland (inzamelingsacties en Nederland lijkt dichter bij). De oorlog van Japan met China leeft meer voor hem, vanwege verhalen van Chinezen in Indië daarover.
          (05) De kracht van Japan wordt ernstig onderschat en na de veroveringen van Japan heerst er grote neerslachtigheid. Zijn vader wordt aan het begin van de oorlog gemilitariseerd. In Soerabaja is er elke dag luchtalarm, maar bombardementen zijn er nauwelijks. De militairen die achter hem in de school gestationeerd zijn, verdwijnen zonder slag of stoot.
          (06) Zijn vader wordt gedetacheerd op de De Ruyter, maar wordt vlak voor de Slag in de Java-zee overgeplaatst. Tijdens de Slag in de Java-zee vangt zijn moeder de marinevrouwen uit de buurt op. Een paar dagen later komt de vlootaalmoezenier hem ophalen om te assisteren bij de begrafenis van de doden die gevallen zijn op het Engelse schip de Exeter.
          (07) Het schip van zijn vader wordt door de Japanners gebombardeerd, maar hij brengt het er levend van af. Zijn vader komt terug naar Soerabaja en wordt te werk gesteld in de haven. Leden van de Gouvernementsmarine worden geëxecuteerd omdat ze hun schip vernietigd hebben terwijl ze alweer gedemilitariseerd zijn.
          (08) Ze verhuizen naar een speciale wijk voor mensen die nog aan het werk zijn. Na twee weken wordt zijn vader krijgsgevangen gemaakt en moeten zij de speciale wijk verlaten. In de tussentijd heeft de rassenregistratie plaats gevonden; zijn moeder is Belanda Indo, de kinderen ‘kira kira betoel’. Zijn broer en zus moeten naar het kamp, hij en zijn moeder niet. Ze worden ingekwartierd bij een Duits gezin en vervolgens in verschillende andere huizen ondergebracht. De baboe verhuist steeds mee.
          (09) Hij begint een handeltje in gestolen zeep. Die koopt hij in op de dievenmarkt en verkoopt hij aan kennissen. Zijn moeder verdient geld met het breien van sokken. Hij vertelt hoe zijn handel in zeep precies in zijn werk gaat. Hij is niet bang om gepakt te worden.
          (10) Zijn zus zit in het vrouwenkamp in Soerabaja. Hij vertelt hoe hij voor zijn zus en kennissen van haar bij het gedek spullen (zeep, eten) aflevert en voor hen buiten het kamp kleding verkoopt. De handel verloopt via een netwerk van onder andere Chinezen. Met zijn vader en broer hebben ze helemaal geen contact meer, behalve af en toe een kaart. Na enige tijd verhuizen ze weer.
          (11) Eind 1944 wordt hij opgepakt door de Kenpeitai en gevangen gezet in de Van der Werf-gevangenis. Hij wordt verdacht van betrokkenheid bij een verzetsgroep. Hij vertelt over de verhoren in de gevangenis, waarbij geslagen wordt. Na ongeveer een maand stoppen de verhoren en mag hij in de keuken gaan werken. Via de etensblikken worden boodschappen doorgegeven.
          (12) Hij vertelt dat hij zich leert afsluiten tijdens de verhoren, maar dat hij altijd heel bang is bij binnenkomst van de verhoorkamer. Een kennis van zijn moeder weet hem vrij te krijgen uit de gevangenis. In de gevangenis heeft hij geen contact met andere gevangenen.
          (13) Hij gaat op een melkerij werken, waar hij lange dagen maakt. De melk moet officieel aan de Japanse melkcentrale geleverd worden, maar de volle melk verkopen zij via een huisarts onderhands aan zieken. Bij de ijsfabriek en de Japanse melkfabriek weet hij vaak stiekem vis en groenten mee te nemen.
          (14) Hij beschrijft de melkerij en zijn werkzaamheden daar. Hij lijdt geen honger, maar de Indonesische bevolking wel. Omdat hij de hele dag van huis is heeft hij weinig sociale contacten.
          (15) Door een verblijf van enkele weken in Lawang weet hij een nieuw pendaftaran als Belanda Indo te krijgen. In het begin van de oorlog heeft hij nog een paar maanden stiekem les gekregen. Hij weet niets van verzet tijdens de oorlog en nauwelijks iets van organisaties in de wijk. Hij vertelt dat ze tijdens de oorlog leven in een wereldvreemde toestand.
          (16) Hij ziet hoe de Indonesische jeugd en de Japanse militairen getraind worden, waarbij ze streng gestraft worden als ze iets fout doen. Het groeiend nationalisme onder de Indonesiërs richt zich volgens hem met name tegen de Engelsen en de Amerikanen. Hij heeft geen contact met leeftijdsgenoten, maar voelt zich niet eenzaam aangezien hij de hele dag druk bezig is.
          (17) Ook na de capitulatie blijft hij bij de melkerij werken. Het einde van de oorlog wordt aangekondigd door pamfletten die uit Nederlandse vliegtuigen gegooid worden. Tegen het einde van de oorlog vinden er bombardementen door Amerikanen plaats. Er komt steeds meer gepeupel op straat en je ziet mensen afgeslacht worden.
          (18) Zelf blijft hij werken voor de melkerij en om zijn werk ongehinderd te kunnen doen draagt hij een roodwit strikje. Het eten wordt beter, maar het belangrijkste is dat hij nu een radio heeft waarmee hij de Wereldomroep kan ontvangen. Er vindt een vlagincident plaats, waarop een oproer volgt, waar de Japanners met harde hand een eind aan maken.
          (19) Op 19 en 20 oktober 1945 pakken Indonesiërs alle Nederlandse mannen en jongens in Soerabaja op. Meneer Somers wordt ondergebracht in de Werfstraat-gevangenis. Hij beschrijft de situatie daar: volle cellen, gebrek aan eten en een teneergeslagen stemming.
          (20) Op 10 november wordt Soerabaja aangevallen door Engelse militairen en worden zij bevrijd uit de Werfstraat-gevangenis. Hij beschrijft de gebeurtenissen op die dag. Aan het eind van de dag worden ze overgebracht naar de haven, waar hij besluit met een schip naar Singapore te gaan.
          (21) Het schip blijkt echter naar Batavia te gaan, waar hij in een vluchtelingenkamp terechtkomt. Na korte tijd keert hij terug naar Soerabaja als corveeër voor het Rode Kruis. Eerst helpt hij met lijken opruimen, vervolgens met het opzetten van een ziekenhuis en daarna rijdt hij op de ambulance.
          Interviewgegevens:
          Datum interview 25 september 2000
          Duur van het interview in minuten 155
          Opmerkingen: geen
          Dit interview 1661.1
          Andere interviews met:
          Somers, J.A. (Jan)
          1661.2



          Samenvatting van interview: 1661.2
          Geinterviewde: Somers, J.A. (Jan)
          (01) Dit tweede interview gaat met name over de periode vanaf augustus 1945, maar meneer Somers begint met enkele verhalen over de periode daarvoor. Hij vertelt dat zijn Indonesische oma binnen de familie ‘geen rol’ speelt, zij staat bijvoorbeeld nooit op de foto’s. Hij vertelt meer over deze oma en opa van moederskant. In zijn jeugd gaat hij elke vakantie naar Poedjon, een bergdorp waar verschillende familieleden wonen en waar zijn ouders een huis laten bouwen.
          (02) Meneer Somers vertelt meer over Poedjon en zijn vakanties daar in de vooroorlogse periode.
          (03) leeg
          (04) Tijdens de Japanse bezetting gaat meneer Somers voor enkele weken naar Lawang, om daar een nieuwe pendaftaran te krijgen. Een familielid van hem heeft een verhouding met een Japanner, maar daar wordt niet moeilijk over gedaan. In het begin van de oorlog wonen ze naast een bordeel, waarvan de vrouwen elke week naar de dokter moeten. Hij heeft geen honger geleden in de oorlog, maar is wel vermagerd.
          (05) In de periode meteen na de capitulatie van Japan gaat het dagelijkse leven gewoon door. Zijn zus komt vlak na de oorlog vanuit een kamp naar huis, achteraf gezien een gevaarlijke reis. Het Rode Kruis speelt een grote rol bij het herstellen van de contacten tussen families.
          (06) Meneer Somers blijft op de melkerij werken. De bezorging van melk wordt moeilijker vanwege het groeiende nationalisme in Soerabaja. Hij vertelt hoe hij ziet dat een Japanner wordt afgeslacht en dat hij lijken in de rivier ziet drijven. De woede van de bevolking richt zich met name tegen de Japanners en pas later tegen de Nederlanders. Hij is zelf niet bang, ook al wordt hij soms aangehouden en daarbij agressief benaderd.
          (07) De periode vlak na de oorlog is een spannende tijd. Uit zijn vroegere huis steelt hij conserven en een radio. Hij vertelt hoe ze in de bersiapperiode aan eten komen en over de rol van de baboe in het gezin.
          (08) De levering van melkproducten van de melkerij loopt via het Rode Kruis. Hij houdt zich als jongen niet bezig met politiek. Hij vertelt dat hij zich belangrijk voelt omdat hij bijdraagt aan de distributie van melkproducten.
          (09) Langzamerhand escaleert de situatie, onder andere door het vlagincident bij het Oranje Hotel op 19 september 1945, waarna de stemming grimmiger wordt. Op 20 oktober wordt hij opgepakt en naar de Werfstraat-gevangenis gebracht. De dag ervoor is er een grote groep mannen opgepakt en naar de Simpangclub gebracht.
          (10) In de gevangenis is de situatie vrij rustig. Hij beschrijft de stemming, de cellen en de voedselsituatie. Hij vertelt hoe Engelse militairen buiten de gevangenis de vrouwen en kinderen in kampen proberen te beschermen.
          (11) Meneer Somers vertelt dat hij zijn herinneringen zonder veel emoties ervaart. Hij vertelt dat zijn moeder na zijn gevangenneming te horen krijgt dat hij niet meer leeft.
          (12) Op 10 november 1945 wordt hij bevrijd uit de Werfstraat-gevangenis. Hij beschrijft de gebeurtenissen op die dag. Rond de gevangenis vinden gevechten tussen Indonesiërs en Gurkha’s plaats. In de loop van de middag worden ze bevrijd en naar de haven afgevoerd. Hij ziet een Hollander met blauwe verf van de geschilderde Indonesische vlaggen, Nederlandse vlaggen maken.
          (13) In de haven spreekt hij met een kennis af dat hij naar Singapore zal gaan. Het schip blijkt echter naar Batavia te gaan, aan boord krijgt hij veel te eten. In Batavia wordt hij ondergebracht in een kamp in de voormalige Struiswijk-gevangenis na een snelle medische keuring. Hij gaat er voor het Rode Kruis bij de voedseldistributie helpen.
          (14) Na een paar dagen vertrekt hij als vrijwilliger voor het Rode Kruis naar Soerabaja. Hij ziet vanuit het vliegtuig dat vrijwel alle kampongs in Soerabaja zijn platgebrand. Hij helpt in Soerabaja een ziekenhuis gebruiksklaar maken. Hij vertelt hoe de stad langzaam weer opgebouwd wordt in een toestand van anarchie.
          (15) Hij vertelt over de toestanden in het ziekenhuis de eerste tijd. Met een ambulance bezoeken ze als Rode Kruis ook gebieden aan de andere kant van de demarcatielijn om daar medische hulp te bieden. Hij vertelt hoe hij uitgescholden wordt door een arts omdat hij hen, een Rode-Kruisteam, een tijd alleen heeft gelaten in vijandelijk gebied.
          (16) Op een gegeven moment hoort hij dat zijn moeder en zus vrijkomen. Zijn vader komt daarop vanuit Batavia naar Soerabaja. Er wordt ’s nachts veel geschoten in Soerabaja, maar daar is hij aan gewend. Zijn moeder en zus blijken uiteindelijk naar Batavia te zijn gegaan, waarop hij en zijn vader ook daarheen gaan in juni/juli 1946.
          (17) Zijn vader wordt afgekeurd en het hele gezin, behalve zijn broer, vertrekt naar Nederland. Hij gaat als corveeër mee op het schip naar Nederland. Tijdens de stop bij Attaca krijgen ze een hartelijke ontvangst. Hij vertelt over de aankomst en ontvangst in Nederland. Ze gaan in Vlissingen wonen, waar je geen Indische gemeenschap hebt.
          (18) Hij vertelt over ideeën over het trouwen tussen verschillende bevolkingsgroepen in Indië, zowel in deze eeuw als vroeger in de VOC-tijd.
          Interviewgegevens:
          Datum interview 9 oktober 2000
          Duur van het interview in minuten 126
          Opmerkingen: geen
          Dit interview 1661.2
          Andere interviews met:
          Somers, J.A. (Jan)
          1661.1

        • Ron Geenen zegt:

          @Samenvatting van interview: 1661.1@

          Ik dacht niet dat ik u gevraagd had daar naar het SMGI te gaan. Het zou voor de persoon in het buitenland wel prettig zijn wanneer hij via de website van het SMGI een verhaal kan oproepen en het doornemen. Ik kan me voorstellen dat een verhaal van mij over bv een Sumatra gebeuren op die manier aangevuld kan worden. Mijn ervaring op dat gebied is vaak niet om naar huis te schrijven.
          Intussen heb ik wel de moeite genomen uw samenvatting door te nemen. Dank U.

        • Loekie zegt:

          Soms is het net de Nederlandse televisie: wanneer je ook kijkt, wat je ook kijkt, het is altijd: Paul de Leeuw, Peter R. de Vries en Gordon. Bij wijze van variatie is het ook wel eens: Gordon, Peter R. de Vries en Paul de Leeuw…

        • Ron Geenen zegt:

          Gelukkig heb ik daar dan geen last van.

  4. Bert zegt:

    Ach Ron : Als ik zo die foto,s van die trip op de Oranje bekijk ,lijkt het wel een vakantietrip ,dat was het natuurlijk ook voor de 8 kinderen maar voor de ouderen was het meer ,het verplicht verlaten van het land van hun moeder en het opnieuw beginnen in het land van hun vader waar ze onnodig te vertellen nog nooit waren geweest..Was het een juiste beslissing geweest om Indonesia te verlaten ? Ja voluit Ja ,als je nu ziet hoe Indonesia langzaam maar zeker terecht komt in de tentakels van het moslim extremisme kun je niet anders erkennen .Maar om een warm tropisch land te verruilen voor een koud,guur en vochtig Nederland ,tja lijkt mij ook niet makkelijk te zijn geweest.

    • Ron Geenen zegt:

      @Maar om een warm tropisch land te verruilen voor een koud,guur en vochtig Nederland ,tja lijkt mij ook niet makkelijk te zijn geweest.@

      Een van de paar redenen waarom ik ook met alle geweld weg wilde. Ben met je eens dat de zeereis van Indie naar Nederland onbelangrijk was. Een vakantie tussenpoos. In wezen bracht het schip de Indo van de regen in de koude. De Indische verhalen zowel in Indie als in Nederland zijn echter wel belangrijk.
      De familie Geenen heeft zelf geboekt op het Engelse schip van de P&O Lines, MS Chitral. Weet bitter weinig van te herinneren. Des te meer de ellende (de tegenwerking van Nederland) in Indonesie voor ons vertrek (3-1-1951) en na aankomst in NL (27-1-1951) de ellende de eerste jaren eenmaal daar.
      Ben er van overtuigd dat vele Indo’s daar wel een verhaal of 2 over kunnen schrijven. Ook mevrouw Griselda Molemans heeft diverse Indische verhalen over het bovenstaande in haar boek geschreven.

    • Jan A.Somers zegt:

      “verruilen voor een koud,guur en vochtig Nederland” !946/47 was een koude winter! Om jaren in te halen kregen we van de RHBS in Vlissingen gratis bijlessen Wiskunde, Frans en Biologie. Voor Frans moesten we (Indisch klasgenootje en ik) elke week een avond naar twee oude gepensioneerde zussen lerares Frans. Zij vonden dat wij niet zoveel last konden hebben van de kou: een lijf vol latente warmte! Eindexamen Frans: 6!!!

  5. Henk zegt:

    Ik had geen keus. Kreeg op 20 november 1957 van de “Kementrian Kehakiman* (Minister van Justitie) bericht dat ik Indonesie vóór 8 februari 1958 moest verlaten!.Mijn werkgever, de firma Frese en Hogeweg, Accountants stelde zich garant voor betaling van de passagekosten van het gezin (man, vrouw en kind) van Tandjong Priok naar Nederland per eerstvolgende gelegenheid..En dat was januari 1958. In de nacht van 30/31 januari 1958 kwamen wij met de “Himalaya” in Rotterdam aan.

    • Ron Geenen zegt:

      Ook in 1957 werd de oma van mijn vrouw, Pauline Weise-Kouthoofd, verteld dat zij Indonesie moest verlaten. Ze woonde zelf in Malang en haar kleindochter, die toen zat in Lawang in een rk weeshuis, mocht ze mee naar Nl nemen.

  6. Huib zegt:

    De M.S. Oranje?
    Nadat ik door mijn moeder met het gezin van een vriendin van haar, ook een oorlogsweduwe,in 1952 werd meegestuurd toen die repatrieerde op de M.S. Willem Ruys van de Rotterdamse rederij
    omdat ze bang was dat ik als 12 jarige jongen alsnog ten prooi zou vallen aan de peloppors en bovendien het nuttig vond dat ik een fatsoenlijke schoolopleiding kreeg, heb ik twee jaar in Amsterdam gewoond na eerst een maand of drie in het Limburgs Valkenburg in de winter te hebben mogen genieten van het Rijke Roomse Leven en de Carnaval.. Dat laatste heb ik met heel veel enthousiasme gade geslagen zoals trouwens de zwerftochten door de mergelgrotten op zoek naar Duitse munitie die ze daar hadden achter gelaten. Dan het gepruts om de hulzen los te peuteren om bij het martjon (buskruit) te komen en dit dan te omwikkelen met het zilverpapier van weggooide lege pakjes sigaretten. Een lucifer er bij en dan een enorme knal of als het tegenzat een enorme steekvlam. Had je gratis vuurwerk tijdens het eerste Oudejaar in Holland.
    Het eerste carnaval van mijn leven ook nog daar meegemaakt en toen trok ik met “tante Marie”en haar gezin naar Amsterdam. Eerst een aantal maanden in hotel Fleissig in de Warmoesstraat wat toen een kontraktpension voor Indo’s was en in de Amsterdamse warme buurt lag. Daar leuk bijverdiend door voor de dames achter de ramen allerlei boodschappen te doen.
    Onder meer sigaretten en nylonkousen voor ze halen want ze konden hun werkplek natuurlijk niet verlaten zo luchtig als ze gekleed waren. Bovendien het was winter en bovendien ze zouden klanten kunnen mislopen.
    Elke dag met de tram naar lagere school in de Rustenburgerstraat bij het Sarphatipark en daarna naar de HBS in de Concertgebouwbuurt in Amsterdam Zuid toen ik door het toelatingsexamen kwam.
    Maar na twee jaar ontstonden er problemen voor mijn moeder met het overmaken van geld voor mijn kost en inwoning en toen moest ik weer terug naar Bandoeng. Op mijn 14e ging ik op de m.s. Oranje in Amsterdam aan boord en via het scheepvaartkanaal naar IJmuiden kozen we het ruime sop naar toen al Indonesia. De reis duurde ca. 4 weken en ik vond het wel een prachtig schip. Moderner en luxer dan de WILLEM RUYS. Maar veel minder stabiel qua zeeligging. Dus de meeste
    volwassen passagiers waren voortdurend zeeziek en ik kon weer klusjes doen voor een zakcentje.
    Omstreeks September 1954 kwamen we aan in Tandjong Priok. Medio September weer naar school op het Christelijk Lyceum in Bandoeng in de tweede klas HBS-B.
    Uiteindelijk werd de boel weer te onrustig en ik werd door mijn moeder in 1956 op het KLM vliegtuig gezet. Het was een Constellation propeller toestel en deed er drie dagen over met een tussenstop en overnachting in Karachi en een tussenstop en overnachting in Dubai

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.