Documentaire Archief van Tranen vertoond in Indonesië 

Pia Media laat weten:
De Pia Media-documentaire ‘Archief van Tranen’, uitgezonden door Omroep MAX, wordt 9 april a.s. vertoond in Surabaya. De documentaire gaat over de moorden op Indische Nederlanders in de zogenaamde bersiap-periode tijdens de onafhankelijksheidsoorlog in Indonesië (1945-1948). De film is in het Bahasa Indonesia vertaald en ondertiteld. Het is de eerste keer dat deze documentaire in Indonesië te zien is.

Advertisements
Dit bericht werd geplaatst in diversen. Bookmark de permalink .

26 reacties op Documentaire Archief van Tranen vertoond in Indonesië 

  1. Hans de Raaij zegt:

    Ben wel benieuwd of hierop een reactie komt vanuit Indonesië.

  2. Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

    Het is een aangrijpende en indrukwekkende documentaire van Pia van der Molen. Het is pas de eerste keer dat ik naar kijk en met de beperkte informatie , waar ik over de bersiapperiode beschik.

    Mijn eerste reacties.
    1. Pia van der Molen heeft de documentaire in 2013 gemaakt. Toen kon zij niet weten dat een Australische journalist later ander feiten over de zaak Jack Boer publiceerde, gebaseerd op Britse militaire , dus betrouwbare bronnen (o.a. situation report van de Engelse commandant van Jack Boer), alhoewel, zij haalt wel Gen. Christison aan, die in zijn memories toch spreekt over de doorslaggevende rol van Jack Boer bij de bevrijding van de meer dan 2.384 Nederlanders uit de Werfstraatgevangenis.
    2. Waarom documenten uit het archief Jack Boer het stempel hebben van “Top Secret” of in het “Archief Geheim” zijn bewaard legt Pia van der Molen niet uit, maar ik heb zo een bruin vermoeden.
    3. Arthur Ellinger, overlevende van de Bersiaptijd in Soerabaja geeft in een interview aan dat Pemoeda’s “ uit elk huis werd één kind meegenomen”.
    Hierbij bevestigt hij terloops mijn veronderstelling dat pemoeda’s niet geheel willekeurig te werk gingen bij het ophalen van o.a. Nederlanders in Soerabja, m.a.w. Pemoeda’s (de Club rond Bung Tomo, , in de documentaire foutief aangeduid als PRI) gingen planmatig te werk bij het vervoer van gevangenen naar de Simpang Club.
    4. Leden van de families Steenmeijer en van der Linden werden pas laat in Bersiapperiode i.c. Mei en Juli 1947 door Indonesiers vermoord (zie gegevens op hun grafstenen).

    5. Opmerkelijk is het interview met sergeant Lubas, in ander bronnen aangemerkt als sergeant A.D. Bals, één van de zeven deelnemers van het eerste RAPWI-team, dat bij Soerabaja werd gedropt. Helaas spreekt hij in zeer algemene termen over het vlagincident op het Oranje-Hotel in Soerabja. Wel zegt hij dat “het de lont in het kruitvat was” en dat als hij er aan terugdenkt er slapeloze nachten over heeft.
    Pia van der Molen vraagt hier helaas niet door want de rol van Nedrlandse deelnemers was niet één van lijdzame toeschouwers maar wellicht samenzweerders en misschien initiatiefnemer van het vlagincident.

    De Indonesische autoriteiten wisten via afgeluisterde gesprekken dat deze Nederlandse militairen van het RAPWI team al vòòr 19 September, de dag van het vlagincident, erover spraken en dat de Indonesiers de noodlottige consequenties vooral voor de Nederlandse bevolking in Soerabja e.o. onderkenden .

    De dag na het vlagincident, Donderdag 20 September ging Ruslan Abdulgani , volgend de orders van de leiders van de onafhankelijkheidsbeweging in Surabaya, naar kamer 33 in het Oranjehotel, waar de Nederlandse militaire bevonden.
    Terwijl hij in de deuropening stond, waarschuwde hij in vloeiend Nederlands de militairen, dat zij hun leven op het spel zette , als zij NOG EENS de moed hadden zoiets doms te doen als een Nederlands vlag hijsen in een stad die volzat met duizenden pemoeda’s.
    .
    Gegeven deze feiten kan ik de reactie van Sergeant Lubas nu best begrijpen; de lont in het kruitvat, ook hij onderkent het nu, beter laat dan nooit.

    Nu wil ik weten wat de commandant van deze Nederlandse militairen, 2de luitenant C.G. Antonissen, onderdeel van Carbolic, voor gedetailleerde instructies heeft gekregen, zoniet anders dan van hoofd NEFIS Spoor. of zelfs hoger? Ik kan mij nauwelijk indenken dat hij, een subalterne officier, op eigen intitiatief het bevel gaf een vlag op het Hotel te hijsen, ondanks dat hij onder Brits bevel stond, die van de Britse captain A.I.D. Prentice, een officier hoger in rang en met een indrukwekkende staat van dienst. We dienen de verhoudingen niet uit het oog te verliezen.

    • Mas Rob zegt:

      “Leden van de families Steenmeijer en van der Linden werden pas laat in Bersiapperiode i.c. Mei en Juli 1947 door Indonesiers vermoord.”

      Dat is bijna twee jaar ná de uitroeping van de onafhankelijkheid. Kan men dan nog wel spreken van de ‘Bersiapperiode”?

    • Jan A. Somers zegt:

      Er was geen aparte commandant van deze Nederlandse militairen, zij waren een groep RAPWI-functionarissen. Op 19 september bestond dat team uit drie Nederlandse en vier Britse militairen. Doordat geen radiocontact kon worden gelegd met de Japanse luchtverkeersleiding zijn ze geparachuteerd. Toen werd ook de start/landingsbaan vrij gemaakt. Het hoofd van dit RAPWI-kantoor, kolonel D.L Asjes, arriveerde 23 september in Soerabaja. Op 21 september was al een tweede deel van dat RAPWI-team aangekomen. Ondanks het vlagincident ging dat gewoon door.
      Ik heb zo het idee dat het hijsen van de vlag een initiatief was van de Nederlandse militairen. Dat is hun gewoonte bij hun vestiging. Als officier van piket moest je dat elke dag doen. Ik heb ook het verhaal gehoord (uit het Rode Kruiskantoor tegenover) dat ‘iemand’ vond dat die vlag wel een beetje klein was, en door hem vervangen is door een grotere. In die tijd misschien niet verstandig, maar zo is de geschiedenis nou eenmaal verlopen. Het is wel een internationale gewoonte, zie het Rood/Wit elke dag in Den Haag. En als een Indonesische groep op de Knobbel of ’t Harde bij ons in het officiershotel logeerde werd het Rood/Wit naast de Nederlandse vlag gehesen. Ook in de dagen erna waren er geen problemen. De RAPWI-mensen liepen vrij over straat zonder Japanse begeleiding. Te voet naar het Rode Kruiskantoor en het gouverneurshuis op Simpang. Dagelijkse besprekingen met de autoriteiten en enkele strijdgroepen. Zij begrepen wat er speelde. Maar Huyer naderhand vond zichzelf een hoge militair die recht had op Japanse escorte, in gesloten auto’s. Waarschijnlijk daarom wist hij niets van ‘de straat’ en kwam tot zijn vreemde ideeën over het gezag van de Indonesische autoriteiten en politie, dat er niet was, Maar dat wist hij kennelijk niet. Huyer (met zijn club) was ook geen RAPWI-functionaris, maar rechtstreeks SEAC.
      De door u genoemde heer Ruslan Abdulgani heeft de inleiding van het boek van Meelhuijsen geschreven. Dat iemand NADERHAND slapeloze nachten had kan ik mij voorstellen. Toentertijd niet, je moet dat incident ook niet overdrijven. De meeste Nederlanders in Soerabaja hoorden er pas veel later over. Ik was er die middag, er was niets meer te zien. Alleen een Japanse wacht voor het hotel en verhalen van de dames. Maar daar waren de dames van het Rode Kruis best tevreden mee. Bleef het tenminste rustig. Dat merkte ik ook bij mijn dagelijks bezoek. Tot de dagen van de Simpangclub! Maar dat is een ander verhaal.

      • Mas Rob zegt:

        Uit het boek “Abdulgani, 70 jaar nationalist van het eerste uur” (2003) van Casper Schuuring:
        “Op 1 september hezen – buiten medeweten van de (toen nog) Japanse autoriteiten – studenten de Indonesische vlag op het gouverneurskantoor in Soerabaja. De Japanse vlag werd gestreken. Twee Nederlanders maakten zich kwaad gen gingen het gebouw in om te protesteren. De Japanners deden niets en de volgende dag hing de Japanse vlag er weer. Dezelfde studenten probeerden opnieuw hun vlag te hijsen, maar werden gesnapt en het gebouw binnengebracht, waar de leiders van de zogenaamde KNID zaten, het Komite Nasional Indonesia Daereh. Eén van hen was Roeslan Abdulgani. Aan een bureau verderop zat een Japanse militair. Het patriottisme van de studenten werd gewaardeerd, maar het was beter eerst toestemming te vragen aan de beheerder van het gebouw. Het gevolg was dat spoedig van menig gebouw de rood-witte vlag wapperde.” (p. 31)

        Het vlagincident van 19 september had dus een voorgeschiedenis. Een omwenteling kan niet zonder symbolen, en de zichtbaarheid van de nationale vlag was hier één van. Ik kan me dus wel voorstellen dat het hijsen van de Nederlandse vlag heftige emoties los maakte.

        Roeslan Abdulgani komt geregeld zélf aan het woord. Over Surabaya in die eerste maanden na de proclamatie merkt hij op: ‘het was een een uiterst vreemde situatie. De Nederlanders deden alsof alles weer zoals vroeger zou kunnen worden, want ze hadden immers de oorlog gewonnen.” (p.32)

        Een recept voor conflict en onbegrip: ‘In die tijd verscheen de Nedelrandse kolonel P.J.G. Huyter ten tonele met een briefje van de geallieerden: wij moesten alles aan hen geven, ook de wapens. Praten met ons wilde Huyer niet. Hij riep de Japanners op ons geen wapens te geven en legde in rapporten vast dat de Japanners ons de wapens zo maar gaven. Dat was niet helemaal waar, want de Japanners hadden in feite een oogje dichtgedaan. Het was ook niet waar dat onder bevolking van de stad slachtoffers vielen bij pogingen om Japanse wapens te bemachtigen. Wij hoorden verder dat RAPWI en NICA Japanse troepen wilden gebruiken om ons te lijf te gaan.

        Resident Sudirman deelde Huyer daarop mee dat wij niet meer met hem wilden samenwerken en dat hij terug diende te gaan naar Batavia. Wij hebben hem toen gewoon opgepakt en daar met de trein heen gebracht. Hij is er begin oktober door onze mensen gevangen gezet in de gevangenis Jombang. Later is hij toch weer teruggehaald en in Soerabaja in de gevangenis gestopt, omdat hij en zijn groep zich volgens ons subversief gedragen hadden.” (pp.32-33).

        • Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

          Ik begrijp nu waarom op de omslag van het boek van Meelhuijsen de foto van het gouvernementsgebouw prijkt . 1 September was echter niet het eerste vlagprecedent i.c. de trits van vlaggenincidenten begint eigenlijk op 22 Augustus 1945, de dag der 50.000 (Indonesische) vlaggen in Surabaya.

          Het toegenomen zelfvertrouwen van de Indonesiërs kwam tot uitdrukking in de oprichting op 28 Augustus 1945 van het KNID Komite Nasional Indonesia Daereh gevolgd door de benoeming op 3 September van de Resident Sudirman,als een soort burgemeester van Surabaya. De Indonesische nationalisten hadden kennelijk haast hun politieke maar ook bestuurlijke en militaire organisatie in Surabaya op te richten. Het is aan het KNID maar ook aan Sudirman te danken dat er in Surabaya begin September orde heerste, alhoewel het grootste gedeelte van de Jappen troepen had zich in de bergen teruggetrokken, behalve natuurlijk de eigenzinnige, gehate en gevreesde Kempeitai, die zich in Surabaya verschanst had.

          Ondanks dat broeide er wat onder de Indonesiers, duizenden jongeren trok
          op naar Surabaya aangetrokken door de Indonesische revolutie. De situatie verergerde en veranderde totaal met de komst van het RAPWI-team op 18 September, de lont in het kruitvat.

          Wat eigenlijk ontbreekt is een gedetailleerde beschrijving van de situatie in Surabaya, waarbij niet alleen Nederlandse en Britse bronnen zijn betrokken, maar vooral Indonesische bronnen zijn geïntegreerd in een alomvattend analyse, om zodoende inzicht te krijgen in het geweld in de Bersiapperiode in Surabaya.

        • Jan A. Somers zegt:

          “Ik begrijp nu ” Eindelijk! U wist toch dat in Soerabaja het Gouverneurskantoor het hoogste symbool was van het Nederlands-Indische bestuur in Oost-Java? Dat was dan ook een prachtig staaltje van Nederlandse koloniale architectuur. Dat andere vlaggenincident was geen incident maar een gewone demonstratie. Hadden ze in de bezetting geleerd, met dezelfde kleuren vlaggen, alleen een ander design. Vonden ze ook mooi. Zo zijn in Batavia op 14 augustus de Indonesische voormannen en het Japanse bestuur toegejuicht bij terugkomst van het ontvangen van de onafhankelijkheid uit Japanse handen in Saigon.

  3. Jan A. Somers zegt:

    Gisteren, 9 april 2017, zag ik op België Canvas de vertoning van de Indonesische film over de communisten moorden onder President Suharto. Die had ik een tijdje geleden al in Nederland gezien. Een openhartige film, er werd veel gelachen over de moordpartijen.

    • Mas Rob zegt:

      Het lachen van Indonesiërs, of van Aziaten in het algemeen, leidt in een westerse context snel tot misverstanden. Naast humor en een goed humeur kan lachen óók getuigen van ongemak en schaamte.

      • Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

        In de documentaire van Pia van der Molen wordt er weinig gelachen, ook door Indonesiers niet in een westerse context . Er was ook weinig reden tot lachen, althans in de Bersiap. Het voorval in Balapulang, waarbij dhr. Beckman Lapré als militair betrokken was, is aangrijpend voor beide zijden. Ondanks het cultuurverschil is daar geen misverstand over.

        Ook kinderen van Indonesiers uit die tijd weten wat er aan de hand was en kunnen de plaats aanwijzen waar die Nederlandse slachtoffers zijn begraven (zie graf met kruis). Dus wat let die 3 onderzoeksinstituten om daar empirisch onderzoek te doen.

      • Cezar zegt:

        Lachen als een boer met kiespijn?

  4. Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

    Uit de documentenmap behorend bij het dossier Jack Boer doet Pia van der Molen verslag van een reeks van klachten van slachtoffers of nabestaanden van slachtoffers van Bersiapmoorden in bvb Soerabja of omgeving , die de doden/vermisten bij Nederlandse instanties (Opsporingsdienst Overledenen = ODO en of Netherlands Forces Intelligence Service = NEFIS) in de periode1946-1947 hebben ingediend bvb over de moorden in de Simpang Club). Al deze klachten zijn gedocumenteerd en geprotocolleerd.

    De klachten over de Bersiapmoorden werden uitgebreid en gedetailleerd gemeld bij de OpsporingsDienst Overledenen ODO van het bijkantoor in Soerabja of via de plaatselijke NEFIS kantoren, die op haar beurt dit niet alleen aan andere en hogere NEFIS-autoriteiten meldden maar ook aan het ODO kantoor in Soerabja. Dit ODO-kantoor op haar beurt gaf een uitgebreide verslag aan het centrale ODO-kantoor en aan de RijksVoorlichtingsDienst RVD in Batavia.

    Ik ga ervan uit dat in andere gebieden in Ned.-Indie, althans waar locale Ned.-Indische autoriteiten hun Soevereine gezag KONDEN uitoefenen, dezelfde bureaucratische weg is gevolgd.

    Dus NEFIS, ODO maar ook de RVD in Ned.-Indie waren nauwgezet en gedetailleerd op de hoogte van de meer dan 3.500 Bersiapdoden en meer dan 10.000 vermisten aan Nederlandse zijde.
    NEFIS, ODO danwel RVD stuurden ter vervolgingsdeze klachten weliswaar door naar de verantwoordelijke justitionele Nederlandse autoriteiten, maar in de praktijk gebeurde er weinig tot niets.

    De Bersiapmoorden en vermissingen speelden zich veelal af op omstreden gebied, dwz terrein dat afwisselend in handen/onder controle was van het Nederlandse/Indonesische gezag. Dat bemoeilijkte de vervolging van de misdadigers/moordenaars, zoals uit de verslagen blijkt.

    Dat niet alleen, mijn voorlopige verklaring is dat de Nederland Staat in Ned.-Indie niet kon of niet wildeoegeven dat vervolging tegen de verantwoordelijken/schuldigen niet kon worden ingesteld omdat haar machtsuitoefening d.w.z. Soevereiniteit beperkt was. Daardoor raakte de vervolgingen van de moordenaars van de Bersiapslachtoffers in de doofpot.

    Bij de soevereiniteitsoverdracht formaliseerde de Nederlandse Staat deze situatie, de niet-vervolging van Bersiapmoordenaars in de vorm van de amnestie-verordening.
    Deze verordening was eigenlijk een soort koehandel: Indonesia zal de Nederlandse militairen niet vervolgen en de Nederlandse Staat zou op haar beurt de moordenaars van de bersiapslachtoffers niet vervolgen. Daarnaast had de Nederlands Staat het argument (sic) van de Rechtopvolging geintroduceerd wat nooit op internationaal niveau ter discussie is gesteld. .

    Formeel vond weliswaar een overdracht plaats op 27 December 1949 maar de Soevereiniteit was de Nederlandse Staat op een veel eerder stadium kwijtgeraakt, n.l. op 17 Augustus 1945.

    En nu kan ik eindelijk het boek van Bussemaker en van Delden inzien. Even kijken naar de voetnoten of het ODO-archief uitgebreid wordt vermeld. Zo niet, dan is het boek het niet waard om aangeschaft te worden. Hier geldt letterlijk en figuurlijk: In der Beschränkung zeigt sich der Holländer

    E.e.a. overziend hoef ik voorlopig alleen het ODO-archief te bezoeken, maar waar?
    Wat voor antwoord geeft Google?

    • Jan A. Somers zegt:

      Als u die lijsten heeft gevonden, houd ik mij aanbevolen. Via I4E? De twee enige activiteiten die ik ken zijn die van mijn vader uit het kamp in Singapore. Daar heb ik nog de documenten van: Een aanvraag naar mijn moeder en zus bij het Centraal Informatiebureau van het N.I Rode Kruis in Batavia, met antwoord: Wij kunnen u tot onze spijt nog geen inlichtingen geven, maar zullen onze nasporingen voortzetten 12/3-’46. En ook de informatie via Comité International de la Croix-Rouge, Geneve (Suisse), Délégation JAVA (1-6-1946), na de bevrijding van mijn moeder en zus uit Indonesisch kamp in Midden-Java, op zoek naar mijn vader en mij. Formulier heeft de halve wereld over gezworven: Van Kamp Patjet, Protestant Weeshuis Semarang, Wilhelminakamp Singapore, Dienst Scheepvaart Batavia, naar adres van noodwoning in Vlissingen. Met de noodkreet: Do you know something about boys? Ze wist niet beter dan dat ik was vermoord in Soerabaja. Als ik bij familie en kennissen vraag waar ze hun vraag om inlichtingen hebben gedaan gaan de ogen op oneindig en het verstand op nul. Ben nog niemand tegen gekomen die een vermissing of moord heeft doorgegeven. Zelf heb ik een formulier ingevuld voor mijn vermiste grootmoeder, maar nooit een reactie gekregen. Was ook moeilijk, onvindbaar vermoord in Poedjon. Weet u mensen die inlichtingen hebben gevraagd, bij welke instanties, en welk antwoord? ik niet.

    • Hans Boers zegt:

      @ Peter van den Broek en meer:
      …..E.e.a. overziend hoef ik voorlopig alleen het ODO-archief te bezoeken, maar waar?…..

      http://www.oorlogsgetroffenen.nl/archiefvormer/ODO en van daaruit naar andere archief vormers eventueel.

      • Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

        @ Hans Boers

        Geachte Heer Boers. Ik ben U zeer erkentelijk voor de verwijzing naar bovengenoemde website .Aangezien U gewezen heeft op “archief vormers” ben ik verder gedoken in de materie met als resultaat:

        h1) het archief van de “Commissie tot het doen van Aangifte van Overlijden van Vermisten”. Dat deze overwerkte Commissie weet dat iemand overleden is die vermist is, vind ik wel een prestatie, die bijzondere aandacht verdient.

        maar nu ernst.
        2) Er is ook een archief: Onderzoek ‘Indische Rekening’ archiefbescheiden over backpay in Zuid-Afrika, Groot-Brittannië en diverse andere landen.

        Ik zou wel weten hoe beschaafde landen zoals Zuid-ASfrika en Engeland omgegaan zijn met de Back-pay. Die zijn zeker niet met die lulkoek aangekomen van Rechtsopvolger. In de context van het kolonialisme is het concept van Rechtsopvolging wellicht een uniek Nederlands begrip, dat nooit op Internationaal niveau is aangevochten (ICJ, Internationaal Hof voor de Rechten van de Mens). . Maar welke advocaat m.u.v. Mevr Zegveld maakt de handen daaraan vuil?

        • Hans Boers zegt:

          Graag gedaan heer Peter van den Broek.

          Wellicht niet relevant, maar het loont ( m.i.) de moeite om iets meer over het slavernij verleden/VOC e.d. te lezen/te weten te komen in het Nationaal Archief van Zuid Afrika.

          Er is daarin bijvoorbeeld iets te vinden over de slaven vanuit het voormalig Bengalen die naar Zuid Afrika gebracht en verhandeld werden en doorvervoerd werden naar Batavia.

          Te lezen valt ook dat er “geregistreerde” slavenhandelaren waren.

          Ook iets over deze slaven die zich na verloop van tijd “vrij” kochten en daar bleven en zich vermengden met de lokale negroide of andere “geimporteerde” bevolking, waaronder ook met de “import” blanken (en later als “vrije” en gehuwde) meetrokken naar Indië OF nadat zij “vrij” werden zich in de kleinhandel of klein vakmanschap hun brood verdienden. (Blacksmith, butcher e.d.)

          Ook iets over de reverse side: slaven uit het voormalig Indië (NIET uit Java, maar overige gebieden) die naar Zuid Afrika werden verbannen en heden ten dage daar nog steeds een Muslim gemeenschap vormen.

          Een speurtocht door de archieven gaf mij persoonlijk veel informatie die ik nodig had op zoek naar verre voorouders en tevens begrip over de gang van zaken destijd en het vervolg ervan heden ten dage. (!!!)

          Het kost wel veel tijd en energie om het archief ( en eventuele doorverwijzingen) door te spitten.
          http://www.national.archives.gov.za/

          en deze link

          https://www.nationalarchives.gov.za/ (Is een totaal andere link, zie “punt” tussen national en archives.)

        • Jan A. Somers zegt:

          Hadden Zuid-Afrika en Engeland ambtenaren/militairen met een arbeidsovereenkomst van een kolonie met eigen rechtspersoonlijkheid? Dat was de situatie in Indië. Zo uniek is dat niet in de juristerij. Als een bedrijf wordt overgenomen verhuizen alle werknemers (als het goed is) mee. Met al hun rechten en verplichtingen, de CAO hoeft vaak niet gewijzigd te worden, behalve de naamgeving. Hetzelfde geldt voor dochters van grote bedrijven. Als metafoor: Indië was een dochter van het Koninkrijk der Nederlanden. Dat juridisch ontvlechten heeft bij de gemengde commissies geduurd vanaf Linggadjati tot de soevereiniteitsoverdracht. Voor de Brexit lijkt twee jaar nog niet voldoende.

      • Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

        @ dhr Hans Boers. Ik ga het lijstje archiefvormers even langs en stuit een voor mij relevante archief:

        1) ARCHIEF RAPWI RECOVERY ALLIED PRISONERS OF WAR AND INTERNEES
        Vindplaats: Er is geen archief van de RAPWI aangetroffen. Daar het een Britse organisatie was, zou het archief in Engeland aanwezig kunnen zijn!!!
        Het NIOD heeft in de Indische Collectie een aantal stukken afkomstig van de RAPWI. Dit zijn voornamelijke rapportages over de hulpverlening door RAPWI en de toestand in de kampen
        Kommentaar: onmogelijk dat er geen RAPWI archief is. Overste Asjes heeft een heel archief van zijn functie binnen RAPWI, hij was er zgn gedetacheerd met instructies van de Ned.-Indische autoriteiten. Maar als er een archief is, dan gaat wel de beerput open over het Neerlands en Indisch beleid na 15 Augustus 1945.

        2) ARCHIEF VAN DE REPATRIËRINGSDIENST INDIË
        Vindplaats: Archief is niet aangetroffen
        Kommentaar: onmogelijk of dien ik bij CCKP of bij het Ministerie van Marga Klompé te kijken?

        3) ARCHIEF VAN DE OPSPORINGSDIENST OVERLEDENEN (O.D.O.)
        Analytische beschrijving van het archief
        In het archief zijn verschillende rapportages te vinden betreffende mensen die tijdens de Japanse bezetting zijn overleden. Een aantal rapporten gaat over specifieke gebeurtenissen waarbij Nederlanders zijn vermoord, zoals de “Madoera-affaire”, de “Varkensmandenaffaire” en de moorden in de Simpangclub te Soerabaja.

        Kommentaar: wat de Simpangmoorden betreft is er veel gedocumenteerd, althans ik lees in Het archief van Tranen, dat de NEFIS een officieel onderzoek naar de handel en wandel van Bung Tomo heeft gedaan en daarover heeft gerapporteerd aan o.a. d procureur-generaal in Batavia en ik dacht ook aan Van Mook.
        Waarom de procureur-generaal geen vervolging heeft ingesteld tegen Bung Tomo heb ik wel een vermoeden.

        4) ARCHIEF NEFIS
        wat niet mag ontbreken is het archief van de NEFIS van o.a. Spoor, maar dat ontbreekt dus wel, daarover wordt wel wijselijk gezwegen.!!!!!
        Bij wie moet ik me melden om dat archief in gezien. Ik heb zo’n weer bruin vermoeden, dat de beerput dan echt opengaat.

    • Jan A. Somers zegt:

      “vervolging” Maar dan moet je man en paard noemen. Niet bekend. Wie waren de daders van de slachtoffers waar ik bij betrokken was? En bij de massamoorden. Als ik denk aan de moord op het Goebengtransport.: Een grote meute (enkele honderden?) bersiappers in een smalle straat Embong Sonokembang. De Brits-Indische militairen schoten de magazijnen van hun stens leeg voordat zij zelf slachtoffer werden. Namen van die Indonesiërs? We kennen niet eens alle namen van de vermoorde vrouwen en kinderen. Konden niet eens alle stoffelijke resten uit elkaar houden. 26 graven waarin 108 personen zijn begraven, waarvan 23 met name genoemd. De naamlozen zijn misschien ergens als vermist opgegeven. Dubbelteling van de aantallen slachtoffers? Als je al niet de namen van de slachtoffers kent, wat waren dan de namen van de daders? Die misschien ook naamloos zijn gedood? Is een rechter gauw klaar mee.

  5. Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

    voor een duidelijk begrip: “mijn voorlopige verklaring is dat de Nederland Staat in Ned.-Indie niet kon of niet wildeoegeven” dient te zijn ….kon of niet wilde toegeven”……

  6. Huib Otto zegt:

    Mag ik dan zo vrij zijn te melden dat ik ergens in de 80-er jaren inlichtingen heb ingewonnen bij het Ned. Rode Kruis en de Oorlogsgraven stichting met de vraag of men wist dat mijn tijdens de Bersiap in Bandoeng vermoorde vader a) inderdaad is vermoord en b) zo ja waar ik zijn graf kan bezoeken.

    Heb ook keurig antwoord gekregen dat de info die mijn moeder indertijd kreeg dat hij inderdaad vermoord was door peloppors enkele weken nadat hij uit het Jappenkamp doodziek en verzwakt thuis kwam, maar dat hij vermoedelijk in een massagraf was begraven en er dus geen gedenkteken was..

    Men zegde toe alsnog een gedenkteken voor hem en enkele andere vermiste personen uit Bronbeek op het Pandu erebegraafplaats te zullen plaatsen. Enige tijd later ontving ik een foto van de OGS van het inmiddels op Pandu geplaatste gedenkteken.

    • Jan A. Somers zegt:

      Uit mijn eigen ervaring weet ik dat van heel veel slachtoffers de identiteit niet was vast te stellen. Wij legden er een briefje op met ongeveer de vindplaats. Als er rechtstreeks was begraven op Kembang Koening, dan ligt er meestal één persoon in dat graf, naamloos. Maar soms waren er tijdelijke begravingen in een noodgraf. Daar werden de kisten/lichamen wel netjes naast elkaar gelegd, maar bij opgraven ging het vaak mis. Het enige wat nog mogelijk was botten/schedels te onderscheiden om te weten om hoeveel slachtoffers het was gegaan. Die werden dan bij elkaar begraven, naamloos, maar wel met een getal. Ik ben daar nauwelijks bij betrokken geweest. Wij zochten ‘in het wild’, en brachten de stoffelijke resten naar de snijzaal van het RK-ziekenhuis. Als je dan later weer iets bracht, was dat vorige lijk, met briefje erop, verdwenen. Het klinkt misschien wat luguber, maar je was in zo’n vreemde, onwerkelijke situatie, dat je misschien zelf ook een beetje afgestompt was. Zo moesten we in huizen zoeken en werden gewaarschuwd dat aan deuren mogelijk boobytraps waren verbonden. Maar er werd niet verteld hoe te handelen. Gelukkig hadden de plunderaars/moordenaars meestal ramen en deuren open gelaten. Meestal, en de andere keren ging het ook goed. ik was toen 15-16 jaar! Maar op mijn Rode Kruispas had ik een upgrade naar 18, ik moest toch aan mijn dagelijks brood komen!

  7. Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

    Pia van der Molen maakt in het dossier over het Goebeng-transport een intrigerende opmerking:
    ……”Op 2 september kwam voor RAPWI LTZ1 P.G. De Back naar Surabaya om voorbereidingen te treffen vrouwen en kinderen uit de kampen rond Semarang te evacueren naar Surabaya vanwege de slechte condities in die kampen”….

    Op zich is het geen opmerkelijk bericht maar bij nader inzien toch wel raar

    (1) volgens Pia van der Molen was op 2 September 1945 RAPWI al aanwezig in Surabaya, maar ik dacht dat pas op 18 September 1945 een eerste RAPWI ploeg bestaande uit 3 Engelsen en 4 Nederlanders landden in de buurt van Soerabja?

    (2) dat niet alleen, de LTZ1 P.G. DE Back kwam in zijn ééntje, wat ongebruikelijk is voor de RAPWI die altijd groepjes militairen lieten landden om geinterneerden te helpen

    (3) de persoon van de LTZ 1 P.G. De Back is wat vreemd , hij was tot 4 April 1945 onderzeebootcommandant van Hr. Ms. K XI (sic) ! Wat voor kwaliteiten hij dan wel had om geinterneerden te helpen is een goede vraag? De Engelsen stuurden tenminste artsen…
    In de Marineloopbaanbeschrijving van LTZ1 P.G. De Back wordt niet vermeld wat hij vanaf die datum tot na 1948 heeft gedaan! Toch wel raar.

    Met Nederlanders die in Soerabja betrokken waren in de maanden September, Oktober is wel iets raars aan de hand:
    a) Ten eerste de bovengenoemde LTZ1 P.G. De Back, onderzeebootcommandant
    b) Over de luitenant Antonissen van de eerste RAPWI-groep is een discussie geweest over wat en wie hij eigenlijk was, uiteindelijk blijkt dat hij een Nederlandse inlichtingenofficer was, die verantwoordelijk geweest is voor het hijsen van de Nederlandse vlag op Hotel Oranje, de het vlagincident was voorbode voor de onlusten in Soerabja, wat hij met geinterneerden te maken had mag Joost weten
    c) Over de omstreden en onhandige KTZ1 Huijer maak ik maar geen woorden vuil
    d) En dan praat ik niet over Jack Boer.

    Daarbij mag niet onvermeld gelaten worden, dat vòòr de Britse landing in Soerabaja (10 November) plotseling Hr. Ms. Crijnssen in haar eentje opdook in de buurt van Soerabja zonder dat het SEAC iets ervan afwist.

    ik heb het bruine vermoeden dat de Indische regering en m.n. VADM Helfrich hun eigen agenda hadden! Die drie onderzoeksinstituten mogen uitvissen wat de samanhang is tussen deze gebeurtenissen/mannen.

  8. Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

    Ik heb al iets over mijn werkwijze, nou ja mijn gezoek naar Bersiapslachtoffers verteld maar wil dat met een voorbeeld met veel aanknopingspunten toelichten, die aanknopingspunten zijn de kwaliteit van het verhaal.

    Uit het Archief van Tranen probeer ik dossier 64 A – de verklaring van Mw. Wetters-Moner- te reconstrueren. In de verklaring is iets vreemds aan de hand !!!!

    Mw Wetters-Moner heeft in haar verklaring aan de OpsporingsDienst Overledenen ODO Soerabja van een Indonesische politiehoofd (een Indonesiche gezagsdrager en autoriteit, maar niet met name genoemd!!!!) gehoord over o.a. de moorden op 12.10.1945 bij de suikerfabriek in Balapoelang.
    De slachtoffers zijn : 3 uit de familie Uhlenbusch, 4 uit de familie Lapré en 3 kinderen uit de familie van Wijk, waarvan zij verklaart dat de ouders ook zoek zijn, dus 10 doden en 2 vermisten .
    Maar in het verzamelgraf op het ereveld Kalibanteng in Semarang staat op een foto van de grafzerk 3 Uhlernbusch, 4 Lapré, niet 3 maar 7 personen uit de familie van Wijk, dus in totaal 14 doden.

    Het verhaal gaat verder want Mevr. Pia van der Molen gaat op verzoek van DE Sjoerd Lapré op zoek naar de waterput in Balapoelang waar familieleden van hem werden vermoord. Shr. Sjoerd Lapré heeft in de Bersiaptijd, toen hij KNIL-luitenant was de demarcatielijn overschreden en is naar Balapoelang gegaan waar deze familieleden (4) werden vermoord. Dhr Sjoerd Lapré weet 2 van 3 schuldigen te achterhalen, waaronder de Hadji Busari , die bevel gaf tot de moorden. Alhoewel vele dorpelingen bij het uitmoorden actief betrokken, hetzij als verkrachter danwel als moordenaar, worden alleen deze twee verantwoordelijken/schuldigen standrechterlijk (sic) geexecuteerd.

    In de documentaire wordt Mevr. Pia van der Molen bij na haar bezoek aan de waterputnaar een andere plek in het dorp Balapoelang geleid waar een dorpeling een steen van aarde vrijmaakt en waarop een kruis zichtbaar wordt, het is een grafsteen.
    De dorpelingen vertellen dat er in de Bersiaptijd ongeveer 23 mensen, kennelijk christenen vermoord werden en daar begraven liggen. Van één man uit het publiek wordt gezegd, dat zijn vader, tante en een oom daar liggen. Hij zegt plots dat Sjoerd Lapré’s zoon Arnold heet maar Mevr. Pia van der Molen gaat vreemd genoeg op deze twee voorvallen niet in. Zij vertelt wel dat de dorpelingen, uit angst voor Lapré nooit over de moord op deze 23 mensen hebben gesproken. De indruk wordt bij mij gewekt alsof de familieleden van Lapré daaronder liggen maar die liggen dus in een verzamelgraf in Semarang.
    Wie zijn dan die 23 mensen, behalve dat ze Christenen zijn en waarvan één man zegt dat zijn vader, tante en oom daar ook liggen? Zijn familieleden zijn Christenen, dus hij ook?

    Toevallig kom ik in een blaadje van Madjoe-Breda een artikel tegen over de moord op deze 23 mensen die op 17 Augustus 1946 plaatsvond, dus 10 maanden na de moord op de 14 leden uit de families Uhlenbusch, Lapré en van Wijk.

    De vraag blijft wie die 23 mensen wel waren!!! Ik denk dat die dorpelingen daar ondanks dat het 70 jaar geleden gebeurde toch iets over weten!! Helaas is Mevr. Pia van der Molen in haar documentaire daar niet op ingegaan..

    Wordt vervolgd

    • Jan A. Somers zegt:

      Wat zijn die registers van vermisten en doden (voor zover ze bestaan) eigenlijk waard? Mijn vader heeft in Singapore bij het N.I. Rode Kruis mijn moeder en zus als vermist opgegeven. Na een aantal maanden zijn ze in Midden-Java opgedoken, bevrijd door bemiddeling van het Rode Kruis (welk Rode Kruis?). Daar werd niet meer over gepraat, maar ik denk dat ze nooit van die lijst zijn verwijderd. Gezien het antwoord: ‘Wij kunnen u tot onze spijt nog geen inlichtingen geven, maar zullen onze nasporingen voortzetten.’ Tellen dus nog altijd mee als vermist. Toen mijn moeder werd bevrijd is ze door het Internationale Rode Kruis, Délégation Java, in Semarang, gevraagd naar de andere gezinsleden. Mij heeft ze als dood, vermoord in de Simpangclub, opgegeven, ze wist niet beter. Mijn broer als vermist. Een maand later kwam ze mij weer tegen in Batavia. Volgens mij ben ik officieel nog steeds dood. Mijn broer dus(?) nog altijd vermist. Volgens mij wemelt het van dit soort dubbeltellingen. Personen die door het ene familielid als vermist zijn opgegeven, en gelijktijdig door een ander familielid als dood. Zo kom je aan al die nullen. Mijn eigen mening over de doden zijn de registers van de Oorlogsgravenstichting met plaats en datum als filters. Je mist natuurlijk de lijken in de kali en in de bush, maar je hebt een minimum aantal waar je zeker van bent. Waar je op bezoek kunt gaan voor de hormat. Maar ik heb ook begrepen dat er eigenlijk geen bersiapslachtoffers bestaan, je kunt ze dus niet herdenken, en mijn bankje komt er nooit.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s