Herinneringen aan Nederlands Indië 1930-1946

Dit is een verhaal van een Indische vrouw, geboren te Ambarawa in 1918, overleden in 1989 in Nederland. Haar vader was Indisch, haar moeder was een Javaanse.
Ze schreef over de Brassan, de bouw van hun huis, de bezetting door de Jap, de bersiap en jeugdherinneringen.


Hieronder staat het begin.
Lees het verhaal verder met een pd-file .

Mijn verhaal begint, met het leven van de eenvoudige Indische boer die desondanks de moeilijke tijden van de jaren 30 en het zware werk op zijn land, gelukkig en tevreden leefde.

Een echtpaar, waarvan de man gepensioneerd, had een stuk grond van 16 hectare om te bewerken. Men bouwde er om te beginnen een huis op met een heel ruime woonkamer. Er was ruimte genoeg voor een gezellige kaartavond met de buren of een verjaardagsfuifje.
Bij een plantenproefstation bestelde hij vervolgens goede fruitbomen. Niet uit de pit want dan zou men 7 jaar op de vrucht moeten wachten. Dit waren occulaties of geënte boompjes die al na een jaar vruchten droegen. Zij werden rondom het huis geplant met daar tussen mooi gesnoeide struikjes van de Chinese roos in alle kleuren. Een lust om te zien.
Deze boer behoefde niet direkt op een dubbeltje te kijken dus maakte hij van zijn land een lusthof met wel 122 soorten van bomen. Hij plantte ook wat mais, rijst en groente maar had altijd zijn pensioen als reserve mocht de oogst eens mislukken. Dit in tegenstelling met de andere boeren uit de omgeving, die voor hun levensonderhoud zwaar en hard moesten werken.

Op zekere dag bracht de Gouverneur-Generaal Jhr. Tjarda van Starkenborg een bezoek aan deze streek. Het huis en land van onze boer werd uitverkozen voor een persoonlijk bezoek van de G.G. Het was een hele eer.
Vanaf enkele dagen vóór het bezoek mochten er geen rijpe vruchten meer worden geplukt, zodat het hogehoge gezelschap kon genieten (en plukken) van al de kleurige, geurige en vooral verse vruchten die de fruitbomen opbrachten.

Maar zoals gezegd, de meeste boeren uit deze omgeving waren nog jong en niet zo kapitaalkrachtig als de boer waarmee mijn verhaal begon. Zij moesten van de onderste trede af beginnen en dat viel helemaal niet mee.
Men begon met wat volk om een gedeelte van een bos om te kappen en het hout te verbranden. Verder maakte men de grond bouwrijp en zaaide mais tussen de overgebleven boomstronken. Men bouwde verder een eenvoudig huisje met een lemen vloer. De eerste vereiste, waren nu een paar span koeien om de grond te bewerken en wat werkvolk, want men moest rekening houden met de seizoenen, i.v.m. het snelle planten voor het eerste levensonderhoud. Het waren meestal (eetbare) wortelknollen, bananen, bonen en mais. Kunstmatige water bevloeing bestond in die dagen nog niet in dit gebied, dus bepaalde men zich tot rijstplanten die ook op droge grond groeiden. Was dit allemaal in orde dan begon men zijn huis te verbeteren. Van de geschikste bomen uit het bos werden nu planken en balken gezaagd. Op sommige plaatsen kon men zelfs bouwstenen bakken. Dakpannen werden evenals kalk en cement besteld. Het zand werd in de omgeving verzameld. Eindelijk kon men dan aan een beter huis beginnen te bouwen. Het noodhuisje had een dak van stevig gras het z.g.n. alang-alang. Echte dakpannen waren een hele verbetering waar men erg trots op was. Al gauw had men dan wat half wilde kippen die s’-nachts in de bomen sliepen. Verder wat eenden en ganzen als erfbewaking omdat die bij onraad beginnen te snateren. Er kwam een geit, soms een Bengaalse grote die men kon melken, een hond , een kat en wat tamme vogels. Men leefde sober om wat geld te sparen.

Dit bericht werd geplaatst in diversen. Bookmark de permalink .

3 Responses to Herinneringen aan Nederlands Indië 1930-1946

  1. George de la Croix schreef:

    Dank voor het plaatsen Boeroeng.
    Mijn vader, geboren op de Brassan in 1936, is bezig met zijn laatste schreden in dit leven.

    Ik vond dit verhaal tussen zijn paperassen, geschreven door zijn 18 jaar oudere half zus, mijn tante dus.
    Als kind van een kleine boer als vader en een Javaans meisje uit Banjuwangi als moeder, heeft hij veel facetten van “onze geschiedenis’ mee gekregen.
    De fuiven van voor de oorlog, de bezetting van de Brassan met dwangarbeid tijdens de oorlog, de Bersiap met kampen waarbij hij en zijn vader gescheiden werden van zijn Javaanse moeder, de Warga Negara Indonesia status van zijn vader na 1951 en zijn eigen Spijtoptanten aanvraag met vertrek naar Nederland in 1964.

    Dank voor uw toelichting “Banjuwangi’.
    De gruwelijk afslachting van de familie Leidelmeyer kwam vaak ter sprake in onze familie.

    • Boeroeng schreef:

      Mijn ouders, ooms en tantes. hadden geen verhalen van familie en vrienden die vermoord werden in de Indonesische revolutie.
      Wel kreeg ik mee dat zij zich onveilig voelden in Indonesië en 1 tante verbleef in een bersiapkamp.
      Ik ben dus niet opgegroeid met het verdriet en boosheid die andere families wel kenden en doorgaven aan de volgende generatie.

  2. Banjuwangi schreef:

    Een interessant verhaal van een oplettende vrouw die schrijft over haar jeugdherinneringen aan de Brassan, de bouw van het ouderlijk huis, de Japanse bezetting en wat er daarna gebeurde in Nederlands-Indie. Zij beschrijft op het eerste gezicht allerdaagse belevenissen. In haar verhaal vallen dan de gebeurtenissen in Banjuwangi (Oost-Java) op.

    Bij het lezen dacht ik in eerste instantie aan de Bersiap, maar bij nauwkeurig lezen klopt er iets niet . De door haar genoemde Nederlandse Mariniers landden eerst in maart 1946 op Java, maars volgens Nederlandse deskundigen was toen de Bersiap afgelopen!

    Bij nader onderzoek blijkt dat de bloedige onlusten in Banjuwangi eerst eind juli 1947 plaatsvonden. Voordien had het Indonesisch leger Indo-Europeanen voor hun eigen veiligheid in zogenaamde beschermingskampen in Banjuwangi opgesloten. Toen de Marinierbrigade tijdens de Eerste Politionele Actie in 1947 Republikeins gebied binnendrong, vluchtte de TRI uit Banjuwangi en liet Indo-Europeanen in kamp Litjeng onbeschermd achter. Aanhangers van Masjoemi, een islamitische beweging op Java slachtten toen op beestachtige wijze tenminste 17 Indo-Europeanen af waaronder leden van de familie Leidelmeyer (5) en Van der Linden(5). De daders werden nooit ter verantwoording gesteld.

    Opmerkingen.
    In de tweede Bersiap periode is Banjuwangi een onopgemerkt gebeurtenis.
    M.C. van Delden haalt in haar boek “De Andere Kant van de Bersiap” (2024) weliswaar kampen in Banjuwangi aan , maar brengt deze niet in verband met de Bersiap. Heeft haar vooringenomenheid te maken met de fixatie op het verschijnsel van de ”vermeende Beschermingskampen”?
    In het Archief van Tranen van de documentairemaker Pia van der Molen zijn tenminste 10 (tien) documenten waarin Banjuwangi wordt genoemd. Nederlandse historici zoals Herman Keppy vragen zich niet af hoe deze documenten in het dossier van de Rode Pimpernel Jack Boer terecht kwamen, laat staan wat er toen in Banjuwangi gebeurde. Is dit een schoolvoorbeeld van Indisch Zwijgen: Doodzwijgen of Verzwijgen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *