uit Moesson 1983 met dank aan Ciwi.
Het jaar was 1956. We zaten op onze eerste dokterspost in Nieuw-Guinea: Kaimana. Onze kleine zoon, Peter-Jan, had net z’n eerste erjaardag gevierd en we waren vast van plan om hem zo goed en zo kwaad als het ging in die primitieve omstandigheden, een fijn kerstfeest te geven.
Ik had (hl weinig) wat kerstspulletjes meegebracht uit Holland (wie denkt – als je verhuist – aan kerstspullen?), een enkel glinsterballetje en een slinger. Gelukkig was daar wel een opvouwbaar stalletje, zo’n grote overmaatse dubbele wenskaart. Als je die openvouwde kwamen alle acteurs van het tableau overeind, inclusief het kribbetje met stro-dak dat er zr natuurlijk aan alle kanten uitpuilde, de os, de ezel en de schaapjes en al.
Gelukkig barstte het rondom ons van de tjemarabomen, dus ik voorzag de kamer volop van groene takken die ik versierde met rode lomboks, kleine tjab rawits, rode en witte kralen van een kapotte ketting en rood lint. Dat lint was zowat ’t enige kerstattribuut dat in de Chinese toko te krijgen was, hoewel het daar verkocht werd als afbieslint in de garen- en bandafdeling. En dan natuurlijk kaarsen! Bendes kaarsen en waxinelichtjes. Die waren er te kust en te keur in de toko.
Zo zag de kamer er al dagen van te voren feestelijk uit en het frisse tjemaragroen rook heerlijk.
Met n van de Indo-gezinnen in Kaimana waren we heel intens bevriend geraakt. Een jong stel, nog zonder kinderen, die stpel waren op Peter-Jan. Ik besloot ze uit te nodigen voor kerstavond en ik zou een cht diner in elkaar flansen. Dat was met een beetje fantasie wel mogelijk, want hoewel er vers haast niets was (behalve papaja, tjab’s en klappers om je heen en kankoeng in de slokans) kon je tch wel, zij het beperkt, het e.e.a. uit blik halen in de toko. In mijn herinnering schieten daarboven uit: de aardappeltjes!! Die walgelijke glazige, zoetige njng-njng aardappeltjes in blik, die dreven in ’t vocht!
Maar op Kerstavond nou es gn rijst! En dus die aardappeltjes, maar dan uitgelekt en gebakken. Best te doen! Ook het toetje, dat ik gemaakt had van agar-agar met een scheut fris-rode vruchtensiroop er door en gevuld met fruit uit blik en overgoten met nep-slagroom (opgeklopte melk uit blik) staat me nog helder voor de geest, omdat het, al zeg ik het zelf, best lekker was, al was de pudding misschien iets te hard uitgevallen, bang als ik was, dat ie niet zou opstijven. Dus te veel agar-agar gebruikt. We moesten hem met een mes snijden!
Ik had zelfs een voorafje uit allerlei bliklekkers gefabriekt. Dus werd het een “Drie Gangen Diner”. Ajo! Stoer!
Het enige probleem was ’t vlees …..
Er ws dus geen vlees ….. En om nou wr die ikans van elke dag te geven of die zoute vlees toestanden uit blik, daar had ik geen zin in. Kippen hielden we niet. Er scharrelde wel van alles in onze paradijselijke tuin, maar er waren geen kippen bij. Kippen waren tch schaars in Kaimana vond ik, en een echte pasar was er niet. Goede raad was duur! Ik heb nog even gedacht aan onze kaka (toea), maar voelde me onmiddellijk daarna een verrader. Uit schuldgevoel en wroeging heb ik hem nog dgen daarna verwend.
Gelukkig had mijn man een mantri verpleger, Job, die als hobby dolgraag op jacht ging. En Job zou speciaal voor njonja dokter de zondag vr Kerst op jacht gaan en in de rimboe een paar bosduiven voor het kerstdiner schieten. Hij zei dat ze klein van stuk waren en vroeg voor hoeveel duiven hij moest zorgen. Ik wou onze twee lieve gasten eens extra trakteren en zei: “Sa orang satoe, djadi ampat, ja Job? Kalau bisa!” In mijn fantasien zag ik ons al smullen elk aan een eigen ‘kip’ en verheugd en opgewonden ging ik alvast menu’s maken in mijn schoonste schrift.
Voor elk n gesierd met een tekening en de naam.
En ik schreef als hoofdgerecht: “Pigeonneau Rti Pierre Jean”, want dat stond beter dan: Gebraden Duifje Peter-Jan.
Ja toch? Het gevogelte werd ’s avonds afgeleverd en onze papoeajongens begonnen meteen met schoonmaken, zodat ik de volgende dag met de bereiding kon beginnen.
De vogeltjes waren wl erg klein en mager, vond ik. Maar goed, ieder kreeg een hele, dus dat was toch geweldig.
Op Kerstdag kwamen onze vrienden al vroeg en met de kleine Peter-Jan, die gent van al die kaarslichtjes en de versiering overal, hadden we een gezellige middag en avond. Ik ging de keuken in om alles klaar te maken en weldra dreven heerlijke geuren van het gebraad de kamer in. Hongerig en vol verwachting schoof men aan tafel. Ook Peter-Jan in z’n kinderstoel, die z’n eigen prakje aan de feesttafel mocht mee eten.
De menu’s werden bewonderd. Met smaak en onder gezellig gepraat begonnen we te eten. Het was allemaal heel lekker en ’t ging prima ….. tt de gebraden duifjes! Toen werd het allengs stiller aan tafel. De gezichten kregen bedenkelijke uitdrukkingen en men concentreerde zich puur en alleen op ’t kauwen.
Om de haverklap hoorde je ’n gesmoord “Au” en dan was er weer een kies op ’t nippertje gered. De felle, venijnige tikken waren de botjes en de hagelkorrels die op de borden vielen ….. kleine blauwzwarte metalen kogeltjes!
Job was blijkbaar niet zo’n beste schutter! Elke vogel zat barstenvol hagel. En dt gevoegd bij ’t feit dat het tch al van die broodmagere beestjes waren en blijkbaar behoorlijk op jaren k, want de luttele sliertjes vlees die eraan zaten, vergden uren kauwwerk, maakten mijn glorieus aangekondigde “Plat de Rsistence” tot een tragische mislukking!
Gelukkig heeft het de kerstsfeer niet kunnen bederven en hebben onze vrienden alles met veel gevoel voor humor geaccepteerd. Maar ik was behoorlijk maloe hoor. Mijn vriendin troostte me: “Je kunt niet lles hebben!”
Daarna hebben we er met z’n vieren hartelijk om gelachen.
Lauty Kleevens-Musch
Bron: Moesson, 15 dec. 1983



















































