!Nora Dijkgraaf-Lokkers verbleef in het jappenkamp Struiswijk bij Batavia.Eerder publiceerden we haar gastpikirans Struiswijk deel Ien Struiswijk [II]
Aangezien we reeds half dood aankwamen en geen enkele weerstand meer hadden, kregen mijn moeder en ik die vreselijke ziekte die in de trein was uitgebroken.
Nu lag het halve kamp te creperen van de buikpijn, en doodziek van de hoge koortsen.
Medicijnen waren er niet. Nog geen aspirientje! Je kunt je dus voorstellen hoe verzwakt we reeds waren en het moesten doen met rijstewater, om de darmen te laten genezen.
Overal hoorde je de zieken huilen. Vooral de kindjes kregen het heel zwaar en al gauw vielen de eerste doden.
De moeders waren radeloos van verdriet en moesten hun kind in lorren gewikkeld afstaan aan de poort. Niemand heeft ooit geweten waar de lijken zijn heen gebracht.
Wie nu kleine kindjes heeft zal zich dit tafereel niet voor kunnen stellen.
Maar in die tijd was het de bedoeling van de Japanse regering zoveel mogelijk doden te veroorzaken, zodat ze ruimtekregen en minder monden hoefden te vullen.
De dagelijkse appl werd een nachtmerrie. Alleen de ernstig zieken mochten op een matje blijven liggen. De rest moest aantreden, ziek of niet.Had je de pech om flauw te vallen, was een pak slaag je deel.
Mijn moeder en ik genoten van het buiten zijn en schoffelden maar wat aan. We waren tenminste buiten die gehate poort, al was het werk veel te zwaar. Wij hadden nog nooit een patjul gezien
De grond leek wel beton en de alang-alang menshoog, toen we er aan moesten beginnen.
Maar zie! De vrouwen gaven zich niet gewonnen en na een paar weken kwam er een heuse moestuin tevoorschijn met rode tomaatjes, en allerhande groenten.
Natuurlijk werden wij bewaakt door een paar aftandse soldaten, die er al gauw de brui aan gaven om ons op de vingers te kijken.
Zveel honger en dan al die heerlijkheden te laten hangen?
Na verloop van tijd smeedde ik het plan om daar wat van mee te nemen
Het risico was groot. Maar de honger ook!
En zo gebeurde het dat ik een paar tomaatjes in mijn broek propte. Weliswaar met kramp in mn buik voor de gevolgen, maar we konden het niet langer aanzien.
Normaal liepen mijn moeder en ik naast elkaar. Maar nu durfde ze dat niet en sloot aan als laatste in de rij. Nu kwam het op mijn acteerprestaties aan om ongezien de buit binnen te loodsen. Gelukkig werden we nooit gefouilleerd bij binnenkomst en daar had ik op gerekend.
Vraag me niet hoe, maar met een vermoeid gezicht strompelde ik langs de bewaking en had de buit binnen. Terwijl mijn moeder duizend angsten uit stond of het allemaal goed afgelopen was.
Zij moest er immers nog langs?
Na dit experiment werd ik brutaler en pikte dan weer eens wat boontjes mee. Maardie kun je niet rauw eten. Zker niet na die darmziekte. Dus?
Ik zocht naar een leeg blikje, waarmee we konden koken. Op een stompje kaarsNu nog het roostervinden waarop het blikje kon staan. En ziedaar! We deden de celdeur dicht, want je hebt nu eenmaal geen enkele privacy. Stel dat iemand het kon ruiken
Dus ik stond op wacht en te wapperen met tijdschriften, om de geur te verplaatsen. Terwijl mijn familie zich ontfermden over het kookpotje, deed ik het haast in de broek van angst.
Want, lieve mensen, honger haalt het beest in de mens naar boven!
Je kunt in zon situatie niemand meer vertrouwen. Iedereen had immers honger?
Wij voelden ons wel even schuldig, maar in zulke omstandigheden is het slikken of stikken
Al gauw vielen er meer doden te betreuren. Het ziekenzaaltje lag vol.
Maar nooit voor lang. De systematische ondervoeding had zijn tol geist.
Ik werd ook steeds zwakker en kreeg de patjul niet meer omhoog.
Ik woog nog maar 45 kilo en moest het zware werk aan anderen over laten.
Ik kwam toen in de keukendienst terecht om de groenten schoon te maken. Dit was zittend werk, maar wel vermoeiend.
Er was een vaste ploegdrumsjouwsters, die een extra portie eten kregen om het intens zware werk te volbrengen. De drums van 50 liter en meer waren niet te tillen. Op een dag vroeg de kokki mij in te vallen voor een meisje die ziek was geworden. Ik moest een drum van 50 liter babypap optillen van het vuur. Samen met een ander meisje.
We hadden afgesproken op een bepaald moment de drum te tillen.
1-2-3 en dan Ik zette mijn schouder eronder, maar bij 3ging het niet verder en kreeg de drum onmogelijk omoog. Het gevolg was dat ik de kokend hete pap over me heen kreeg en zwaar verbrandde.
2e graads verbranding is het ergste wat een mens kan overkomen en lag ik later in shock ergens op de grond. De kampcommandant stond naast me en keek op mij neer. Het moet een akelig gezicht geweest zijn.
Kort daarna ben ik op een brancard naar de ziekenboeg gebracht waar mijn wonden werden verbonden. HELSE PIJNEN heb ik uitgestaan.
Er waren geen pijnstillers, nog zalf, dus de verbanden kleefden aan mn botten vast. Savonds lag ik met 40 gr. koorts te ijlen.
Dagelijks werd ik naar het hospitaaltje gebracht om de wonden te verschonen, die intussen hevig waren ontstoken. Weken heb ik op mn brits gelegen, meer dood dan levend. Deze slag kwam ik maar heel langzaam te boven.
Onze commandant was een vriendelijk man, zeer in tegenstelling tot andere van zijn collegas. Hij bezocht de ziekenboeg elke dag. Was dus ook elke dag aanwezig bij de marteling van mijn open wonden. Waarschijnlijk zag hij in dat het zeer ernstig gesteld was, want op een dag stond hij met een arts voor mn bed. Ik schrok me wezenloos, want dacht dat ze mij kwamen halen
Deze man (strak in uniform) gaf mij een injectie en daarna liepen ze de galerij weer af. Waarschijnlijk was dit een soort antibiotica, want het heeft wel mn leven gered. Weken later kon ik de eerste stapjes zetten.
Als hij langs kwam op het plein keek hij me aan. Alsof hij wilde zeggen: Zo? Je hebt het dus gered!.
In mijn boek WAT NOOIT SLIJT beschrijf ik dit verhaal gedetailleerd.
Ook mijn dank voor deze man, die kennelijk een zware taak op zich moest nemen om zoveel vrouwen en kinderen in leven te houden.
Een paar jaar geleden wilde ik hem zoeken in Japan.
Helaas was hij twee jaar tevoren overleden. Ik had hem graag nog eens gesproken. Een UITZONDERING op de regel!!
In mijn volgende PIKIRANS zal ik ingaan op de menselijke ontplooiing in dergelijke omstandigheden. Hoe een mens kan worden en kan Zijn.
wordt vervolgd





















































Els Michielsen-Baljon heeft een uistekend boek over Struiswijk geschreven. Ik ben ook via haar in het bezit van een getypt verslag van het kamphoofd mevr. Fokkema. Geen van beiden geeft zo’n gruwelijk beeld, mevr. Fokkema stelt dat het eten de eerste week erg goed was. De Japanse kampcommandant Adachi wordt als humaan beschreven en beiden vermelden niet de straffen van uren aan een paal gebonden worden. Ik was zelf een kind van twee in Struiswijk en heb het altijd belangrijk gevonden hoe het er werkelijk aan toe ging. Het zou goed zijn om lezer van deze pikirans naar boeken te ver wijzen die over Struiswijk zijn verschenen
Hallo Ted! Dank voor je reactie!
Het 2e deel komt volgende week, waarin ik nader inga op de belevenissen in Struiswijk.
Misschien dat er mensen zijn die dit herkennen.
Wij hebben inderdaad geluk gehad met onze Adachi, die zelf nooit geslagen heeft.
Wat ik van anderen hoorde, is dit wel een uitzondering geweest.
OK, volg. week kun je meer lezen.
Tot kijk ja? Groetjes. Noor
Nora, bedankt voor je ervaringen. Concentratiekampen, geen interneringskampen, op Java en Sumatra en met uitzondering andere eilanden, hadden het veel slechter dan Kampili-kamp bij Makassar waar ik in zat, hoewel er bij waren die ook zowat kapot waren geslagen door de commandant Jamadji. Die was notabene nog schappelijker dan andere Jappen. Maar echt honger, zoals jij, hadden we niet geleden, ik moet zeggen we aten weleens dat rode siergras, eigenlijk oneetbaar, en soms kregen we zowat niets, geen suiker sowieso, maar overigens ging het vrij goed. Hebben nog jaarlijks een Kampili/Makassar/ParePare renie.