Het Gebaar

logo_hetgebaar2Opgevangen in Andijvielucht schrijft:
En het is onthutsende materie: de Nederlandse overheid stelde “op basis van de vermoedelijke tekortkomingen binnen het rechtsherstel […] een bedrag beschikbaar van 350 miljoen gulden.”En dus niet voor “de kille ontvangst in Nederland van de slachtoffers van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië”, zoals het Indisch Platform tot op de dag van vandaag beweert. Met andere woorden: het mandaatloze IP heeft ingestemd met deze fooi voor het uitgebleven rechtsherstel en haar eigen achterban voorgelogen over de insteek van Het Gebaar.

griseldainterviewaug2016In de aanloop naar de herdenking in De Bilt op 15 augustus aanstaande dit interview in De Biltsche Courant.
Klik op het plaatje.

Dit bericht werd geplaatst in diversen. Bookmark de permalink .

10 reacties op Het Gebaar

  1. rob beckman lapre zegt:

    Een, tot nu toe onbekende( engelstalige) site http://www.robdias.com ” The Indo story” bracht mij op het spoor van “onbetaalde rekeningen aan de Indische gemeenschap”.Hoewel Dias spreekt van 980 millioen (N.I.guldens)die door Japan aan Nederland zou zijn betaald, spreken verschillende bronnen van slechts 38 millioen guldens die Japan aan compensatie betaalde.Zocht uit dat in 1945 slechts 21,842 van onze krijgsgevangenen de oorlog met Japan overleefden,De overheid betaalde/zou betalen 61.75 gulden per krijgsgevangene.Als mijn rekenmachine het goed doet, dan zou er-na uitbetaling van iedere krijgsgevangene- nog 24,512,565 guldens in kas zijn.Was dat geld (niet meegerekend rente-op-rente over decennia) bestemd om de Indo’s na 1945 op te vangen,terwijl Wim Willems( “Het onbekende vaderland”) schrijft dat men “60% van de inkomsten (gemid.85 guldens/week)aan het Min.van Maatschappelijk Werk moest terugbetalen, en als men spaargeld had dit direkt moest worden afgerekend”?

    • P.Lemon zegt:

      @Hr Beckman Lapre “op het spoor van “onbetaalde rekeningen aan de Indische gemeenschap”.

      Voor u teruggevonden …..
      zie : http://www.academischeboekengids.nl/do.php?a=show_visitor_artikel&id=553

      door Lambert J. Giebels
      Het recht en de rekening
      De roep om herstelbetalingen voor Nederlands-Indië klinkt nog steeds
      De Academische Boekengids 59, november 2006, pp. 9-10.

      De discussie over schadevergoeding en nabetaling van gederfde inkomsten ontwikkelde zich in de naoorlogse Nederlands-Indische gemeenschap tot een echte perkara, een eindeloos durende affaire. In een poging daaraan een einde te maken, trok het kabinet-Kok in 2000 vijfendertig miljoen gulden uit voor onderzoek naar de kwestie. De eerste resultaten zijn nu in boekvorm geopenbaard.
      De milde regen van uitkeringen die in de loop van de jaren op de Indische slachtoffers is neergedaald,heeft in 2000 een (voorlopig?) einde gevonden in het rijk gedoteerd Indisch Gebaar van het tweede kabinet-Kok. Onderdeel van dit Gebaar is een fonds van vijfendertig miljoen gulden voor een grootschalig historisch onderzoek naar de sociale en economische gevolgen van de Japanse bezetting en daaropvolgende dekolonisatietijd. Dit fonds heeft tot nu toe twee boeken van het Nederlands Instituut
      voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) opgeleverd: Indische rekening. Indië, Nederland en de
      backpay-kwestie van Hans Meijer en Sporen van vernieling. Oorlogsschade, roof en rechtsherstel in Indonesië 1940-1957 van Peter Keppy. Meijer heeft de backpay op zich genomen, Keppy oorlogsschade en rechtsherstel, waarbij zij aangetekend dat de auteurs niet helemaal binnen hun eigen aandachtsgebied zijn gebleven. De onderwerpen zijn natuurlijk ook sterk met elkaar verweven.
      Keppy baseert het onderscheid tussen vergoeding van oorlogsschade en rechtsherstel op juridische gronden; het eerste is van publiekrechtelijke, het tweede van privaatrechtelijke aard. Oorlogsslachtoffers hadden meestal geen notie van dit onderscheid en de autoriteiten soms evenmin. Dit moet ook voor Keppy moeilijk zijn geweest. Zo rekent hij het rampokken (plunderen) door Indonesiërs in het voetspoor
      van de Japanse bezetter tot oorlogsschade, maar het rampokken tijdens de bersiap de gewelddadige periode van oktober 1945 tot begin 1946 tot rechtsherstel!
      Duidelijk wordt dat van een substantiële vergoeding van de oorlogsschade vrijwel niets terechtgekomen is. Daarvoor was in de eerste plaats de materie te complex. De oorlogsschade in Nederlands-Indië begon met wat Keppy noemt defensieschade. Voor en tijdens de Japanse invasie hadden vernielingsploegen van
      bedrijven en militaire brigades op grote schaal economische objecten en infrastructuur vernietigd een schade die in geen verhouding stond tot het geringe verweer van het KNIL, dat vrijwel zonder verzet te hebben geboden zich binnen een week onvoorwaardelijk overgaf. Een volgende oorlogsschadepost waren de vernielingen die de Japanse invasietroepen aanrichtten, maar die vielen aldus Keppy erg mee. Het is
      echter de vraag of hij in dat verband voldoende rekening houdt met het feit dat de Japanse bezetter, met warme steun van Soekarno en Hatta, romushas (Indonesische dwangarbeiders) had ingeschakeld voor een snel herstel van die defensie- en aanvalschade. Weer een volgende oorlogsschade werd veroorzaakt
      door de geallieerden, die bijvoorbeeld de havens van Batavia en Soerabaja geducht bombardeerden. Na de Japanse capitulatie begon in feite een nieuwe oorlog, de politionele acties, die de Indonesiërs als hun vrijheidsstrijd beschouwen en die werd ingeluid met de bloedige bersiap-periode.
      Het zal duidelijk zijn dat een inventarisatie van al deze schade nog tijdens de oorlog een onmogelijke opgave was, laat staan dat men kon vaststellen welke partij welke schade had aangericht. Er is dan ook niks van terechtgekomen, zoals Keppy duidelijk maakt. Het Nederlands-Indische bestuur ontkende overigens dat er een rechtsgrond was voor het claimen van vergoeding van oorlogsschade, hoewel het Nederland was dat Japan de oorlog had verklaard. Het Nederlands-Indische gouvernement dat onder
      leiding van luitenant-generaal Van Mook na de capitulatie uit Australië naar Indië terugkeerde, was te slecht bij kas om aan vergoeding van oorlogsschade überhaupt te denken. Het enige wat Van Mook de oorlogsslachtoffers kon bieden, was een karige rehabilitatie om weer wat kleding en huisraad aan te schaffen. Voor de rest verzandde de vergoeding van oorlogsschade in commissoriaal overleg en bureaucratie. De rechtsopvolger van Nederlands-Indië, de republiek Indonesië, was er niet helemaal
      zeker van of bij de Rondetafelconferentie (RTC) van december 1949 de vergoeding van oorlogsschade niet op haar bordje was geschoven. Zij maakte aan deze onzekerheid een einde door onmiddellijk na de soevereiniteitsoverdracht een noodwet vast te stellen die iedere mogelijke claim op vergoeding van oorlogsschade uitsloot.
      Voor rechtsherstel bestond als rechtsbasis de ordonnantie Herstel Rechtsverkeer. Deze riep een Raad voor het Rechtsherstel in het leven, die als arbiter moest optreden tussen (civiele) eisers en degene die hun wederrechtelijk iets had ontnomen; ook niet-Nederlanders konden op deze regeling voor rechtsherstel beroep doen. De vraag bij wie en waar verhaal te halen speelde ook hier. Voor wat de
      Japanse bezetting betrof lag het voor de hand de schadevergoeding te claimen bij de verslagen vijand. Maar anders dan de Duitse bezetter konden de Japanners geen systematische ontrechting worden verweten; ze waren met hun rekwisities binnen de grenzen van het Landoorlogreglement gebleven. Wat overbleef, waren claims wegens regelrechte roof door bezetters en vrijheidsstrijders, alsook door Nederlandse en geallieerde militairen.
      De Raad voor het Rechtsherstel kwam al snel tot de conclusie dat het ondoenlijk was alle tijdens de bezetting en Indonesische revolutie gewijzigde vermogensverhoudingen naar de vooroorlogse toestand terug te brengen, aldus Keppy, die er voor een goed begrip van de context van deze uitspraak goed aan had gedaan erbij te vermelden dat de revolutie toen nog volop gaande was. De hoop was aanvankelijk dat
      er bij het verslagen Japan wel een en ander te halen was. Maar de Amerikanen die Japan bezetten, gaven zich niet veel moeite om geroofde goederen die in Japan waren beland op te sporen en te retourneren aan moeilijk te identificeren eigenaren. MacArthur achtte behoud voor Japan van deze goederen, waaronder grondstoffen, van belang om het land er economisch weer bovenop te helpen. De enige restitutie aan particulieren die Keppy heeft weten te achterhalen, bestond uit de met edelstenen versierde gouden kroon van de sultan van Pontianak en de schedel van de Homo Soloensis.
      Door het vredesverdrag met Japan van 1952 in San Francisco werden alle verwachtingen bij Japan verhaal te kunnen halen de bodem ingeslagen. Het was een Amerikaans Diktat, opgelegd niet aan de verslagen vijand, maar aan de ondertekenaars van het verdrag – waaronder Nederland. Artikel 14 lid 1
      (Keppy noemt abusievelijk artikel 15) sloot herstelbetalingen uit. Foster Dulles, de ontwerper van het verdrag, wilde daarmee een Versailles-effect (de verslagen vijand zo vernederen dat dit weer een nieuwe oorlog creëert) voorkomen.
      Indonesië was al evenmin een veelbelovend adres voor Nederlandse gedupeerden om rechtsherstel te claimen. De vakbonden en strijdgroepen, die zich plantages en bedrijven van Nederlandse eigenaars hadden toegeëigend, beschouwden het hele rechtsherstel als een koloniaal project. Liever dan moeizame procedures bij de Raad voor het Rechtsherstel aan te spannen, kozen de genaaste bedrijven een
      minnelijke weg om het beheer terug te krijgen. Keppy zou daaraan ter relativering hebben kunnen toevoegen dat het Nederlandse bedrijfsleven in het onafhankelijke Indonesië tot 1957, toen alle Nederlanders het land uit moesten, schatten heeft verdiend.
      ADRIAAN VAN DIS HERINNERT ZICH DAT HET EERSTE ENGELSE WOORD DAT HIJ ALS
      KIND LEERDE BACKPAY WAS.
      Meer dan vergoeding van oorlogsschade en rechtsherstel heeft de backpay-kwestie de gemoederen van de Indische gemeenschap beziggehouden Adriaan van Dis herinnert zich dat het eerste Engelse woord dat hij als kind leerde backpay was.
      Met de backpay-kwestie werd bedoeld de claim van militairen en ambtenaren in dienst van het Indische gouvernement op betaling van hun tijdens de bezetting gederfde inkomen. Van Mook werd geconfronteerd met een onttakelde kolonie. Wederopbouw van de kolonie was de eerste prioriteit, maar die werd doorkruist door de Indonesische onafhankelijkheid die Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 hadden uitgeroepen. Het Indische bestuur had geen geld voor een integrale backpay, en een zuinige
      Drees en nog zuinigere minister van Financiën Lieftink waren niet bereid het moederland, dat niet minder gehavend uit de oorlog tevoorschijn was gekomen, te laten bijspringen. Zij stelden zich op het formele standpunt dat de kolonie een eigen rechtspersoonlijkheid was met een eigen territoir, los van Nederland. Eerdergenoemde rehabilitatie van een paar maanden salaris diende als voldoening van de
      backpayclaim te worden beschouwd.Het uitzicht op herstel van de vooroorlogse welvaart van de kolonie werd er niet rooskleuriger op toen Nederland naar de wapenen greep om rust en orde in de kolonie te herstellen. Met de RTC van december
      1949 kwam het definitieve einde van het koloniale bewind in zicht. Als vervolg op het
      rehabilitatievoorschot stelde het Indische gouvernement aan alle ambtenaren een slotuitkering in het vooruitzicht. Deze varieerde van vier tot twaalf maanden salaris, afhankelijk van de omvang van het gezin van de kostwinners, met een maximum van duizend gulden per maand het particulier bedrijfsleven volgde in zijn backpay-regeling goeddeels die van het gouvernement. De helft zou in contanten worden
      uitgekeerd, de rest in de vorm van obligaties ten laste van de Indische schatkist. In aanmerking genomen dat de Japanse bezetting 41 maanden had geduurd, was het een schamele tegemoetkoming.
      Bij de RTC werd overeengekomen dat ambtenaren en militairen uit de Nederlands-Indische tijd naar Indonesië overgingen en dat de nieuwe staat als rechtsopvolger van Nederlands-Indië de uitbetaling van de rehabilitatie voor zijn rekening zou nemen. Op de RTC kwam de backpay niet meer aan de orde. Deze werd geacht met de slotuitkering te zijn afgehandeld. De slachtoffers lieten geen protest horen, nog niet.
      Na de soevereiniteitsoverdracht beseften de slachtoffers pas goed hoezeer zij tekort waren gedaan. In andere geallieerde landen, zelfs in het al evenzeer als Nederland verarmde Engeland, kreeg het militair en civiel personeel van de voormalige koloniën volledige backpay. Tot overmaat van ramp bracht Jakarta de gulden-roepiah verhouding terug van 1:1 naar 1:3. Nederlanders die afhankelijk waren geworden van
      de Indonesische schatkist zagen daarmee hun aanspraken met tweederde verminderd. Tijdens de kabinetten-Drees bleef de regering op het standpunt staan dat niet Nederland, maar Indonesië het adres was voor claims van de malcontenten. Meijer zegt er niet bij dat Drees vond, zoals hij in het Kamerdebat over het Japanse vredesverdrag verklaarde, dat Nederland al genoeg voor de Indische slachtoffers deed door de transportkosten en opvang in Nederland van de vele Nederlanders die terugkeerden naar patria voor zijn rekening te nemen.
      De repatrianten en zij die nog waren achtergebleven, begonnen te beseffen dat ze definitief uit het paradijs waren gevallen. Door de Japanse overval hadden ze van de ene op de andere dag hun rijke en bevoorrechte bestaan in de kolonie verloren; de capitulatie van Japan had niet het verhoopte herstel gebracht en in het onafhankelijke Indonesië waren ze onwelkome tweederangsburgers geworden. Er kwam een repatriëring op gang die binnen enkele jaren vrijwel alle Nederlanders die Indië als hun
      moederland beschouwden hun toevlucht deden zoeken in het koude kikkerland.
      In de Indische gemeenschap in Nederland ontwikkelde de backpay-kwestie zich tot een perkara, zoals Meijer het noemt. Een perkara is een eindeloos uitgesponnen affaire, die evenzeer tot de Indische folklore behoort als de rijsttafel, de koempoelan en de pasar malam. De ene na de andere actiegroep ontsproot aan de backpay-kwestie. Deze groepen bestookten de Nederlandse autoriteiten, maar evenzeer elkaar. Zij spanden vele rechtszaken aan om over het recht op backpay een rechterlijke uitspraak uit te
      lokken. Dit ondermijnde echter pogingen van andere groepen de regering en het parlement te mobiliseren, omdat deze er geen politieke zaak van wilden maken zolang die nog onder de rechter was.
      De rechter herhaalde tegenover de eisers steeds weer dat ze in Indonesië moesten aankloppen, maar erkende impliciet wel het recht op backpay.
      DREES VOND DAT NEDERLAND AL GENOEG VOOR DE INDISCHE SLACHTOFFERS
      DEED DOOR DE TRANSPORTKOSTEN EN OPVANG IN NEDERLAND VAN DE VELE
      NEDERLANDERS DIE TERUGKEERDEN NAAR PATRIA VOOR ZIJN REKENING TE
      NEMEN.
      In de jaren vijftig begon de politiek wat gevoeliger te worden voor de jammerklachten van de Indische slachtoffers, ook al omdat de rijkskas aardig gevuld was. Met kamerbrede steun benoemde de regering
      in 1951 de Commissie Achterstallige Betalingen. Deze gooide het over de boeg van morele verantwoordelijkheid, wat uiteindelijk door de regering in 1953 schoorvoetend werd aanvaard. Zij nam op humanitaire gronden de door Indonesië verzaakte rehabilitatie voor haar rekening. Met het daarmee gemoeide bedrag van tweehonderd miljoen gulden, plus garantstelling voor de betaling der Indische
      pensioenen, moest het nu gedaan zijn. Het bleef een jaar of tien stil.
      In de jaren zestig en zeventig herleefde met de oorlogsherinneringen de aandacht voor het koloniale verleden. Daarmee ook de perkara. Nieuwe actiegroepen zagen het licht, waarbinnen zich weer felle tegenstellingen aftekenden. Ze kwamen tot uiting in de namen van de actiegroepen. De Stichting Rechtsherstel van Gellebaard zette zich in voor een onbetwistbaar recht op integrale backpay. De Stichting Nederlandse Ereschulden van Sytze Vrijburg – Soekarnos voormalige studiegenoot en repetitor
      op de Technische Hogeschool van Bandung – speelde de kaart van morele schuld uit. Hoewel verguisd door Gellebaard, oogstte Vrijburg, die een claim van 16.000 gulden per kostwinner op tafel legde, enig succes. Tijdens het kabinet-Van Agt/Wiegel wist hij drie Tweede Kamerleden te mobiliseren: leider PvdAer Klaas de Vries met daarnaast de CDAer Hans Wijers en de VVDer Wim Keja. Zij werden gewonnen door het idee van smartengeld dat in Vrijburgs claim school.Dat paste, aldus Meijer, in het
      maatschappelijk klimaat van empathie, en speciaal mededogen met oorlogsslachtoffers.
      Het drietal, dat een flinke partijpolitieke meerderheid vertegenwoordigde, wist de verantwoordelijke
      minister Hans Wiegel voor hun idee te winnen. Het resultaat was in 1981 de wet Uitkering Indische Geïnterneerden (UIG), die iedere geïnterneerde een belastingvrije uitkering van 7.500 gulden verschafte.
      Met backpay had het weinig van doen, vond de Indische gemeenschap, want beambten die niet geïnterneerd waren geweest vielen uit de boot, en dat waren voornamelijk indos het leek alsof de blanke boven de bruine man was bevoordeeld.
      EEN PERKARA IS EEN EINDELOOS UITGESPONNEN AFFAIRE, DIE EVENZEER TOT DE
      INDISCHE FOLKLORE BEHOORT ALS DE RIJSTTAFEL, DE KOEMPOELAN EN DE PASAR MALAM.
      Voor regering en parlement was met de UIG het hoofdstuk Indische oorlogsslachtoffers gesloten, maar niet voor de Indische gemeenschap. Een jongere generatie zette de perkara onverdroten voort, en met succes. In 1984 werd de, in het bijzonder voor niet-geïnterneerde slachtoffers bestemde, wet Uitkering
      Burgerslachtoffers 1940-1945 aangenomen. In 1986 volgde de wet Indisch Verzet. In april 1990 verscheen de Stichting Japanse Ereschulden op het toneel. Ondanks eindeloze processen kreeg zij in Japan geen voet aan de grond. Dat land had in 1956 op grond van een door minister Stikker met de Japanse premier tijdens de vredesconferentie in San Francisco gesloten herenakkoord tien miljoen dollar
      aan smartengeld betaald. Meijer zou daarbij hebben kunnen vermelden dat in artikel 3 van dit akkoord de Nederlandse regering Japan vrijwaarde van enige verdere aanspraak door de regering of door Nederlandse onderdanen op herstelbetaling.
      De Stichting Japanse Ereschulden was bij Japan dus aan het verkeerde adres. Dit frustreerde de Indische gemeenschap zeer. De frustraties kwamen naar buiten in enkele incidenten. Deze brachten het kabinet-Lubbers ertoe met de gefrustreerden contact te zoeken. Het leidde tot de formering van het Indisch Platform, dat negentien Indische organisaties omvatte. Dit platform wist weer een uitkering in de wacht te slepen, nu een eenmalige netto-uitkering van 7.500 gulden voor ex-KNILers. Na dit succes
      legde het platform nieuwe wensen op tafel: een aparte studie van de geschiedenis van de Indische slachtoffers, een eigen herinnerings- en ontmoetingscentrum, en erkenning van 15 augustus als officiële herdenkingsdag. Deze wensen werden alle door Den Haag ingewilligd.
      Toch bleef de Indische gemeenschap zich in haar slachtofferrol wentelen. Toen joodse slachtoffers na de zogeheten Liro-affaire rijkelijk werden vergoed, roerden de Indische slachtoffers zich opnieuw. Dit resulteerde in het eerdergenoemde Indische Gebaar, dat blijkens de preambule zijn wat onjuridisch aandoende rechtsgrond vindt in de erkenning van achteraf geconstateerd te veel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel. Het was, zoals gezegd, een rijk gedoteerd Gebaar.
      Afgezien van de genoemde vijfendertig miljoen gulden voor onderzoek mochten al degenen die tijdens de Japanse bezetting in Nederlands-Indië hadden verbleven, binnen of buiten een kamp, driehonderdvijftig miljoen gulden verdelen. Ook werd nog eens vijfendertig miljoen beschikbaar gesteld voor educatieve, sociale en culturele projecten, waarvoor de circa driehonderd Indische organisaties die ons land telt voorstellen kunnen doen.
      Het is de vraag of het NIOD niet beter beide themas samen in één boek had kunnen zetten. Om het grote publiek te informeren was in plaats van de omstandige uiteenzettingen een bundeling van de talrijke samenvattingen wellicht voldoende geweest, onder toevoeging van authentieke documenten die het vaak
      schrijnende verloop van de gebeurtenissen illustreren. Daarmee zou meteen een leemte zijn gevuld in de twintigdelige Officiële Bescheiden van Drooglever c.s., waarin merkwaardig genoeg vrijwel geen document is opgenomen over de drie besproken kwesties. Evenmin komt men ze tegen in de bundel De kolonie en de dekolonisatie, verschenen bij het afscheid van Drooglever. In de bibliografieën van beide
      boeken valt overigens op dat Meijer en Keppy niet geheel volledig zijn geweest in het vermelden van relevante literatuur.
      Is met het Indische Gebaar eindelijk het einde bereikt? Ik betwijfel het. De hier besproken deelstudies van het NIOD leveren ruime stof om de perkara over de vergoeding van oorlogsschade, rechtsherstel en backpay weer op gang te brengen en er staan nog flink wat door het Gebaar gefinancierde deelstudies te
      wachten!
      Dr. Lambert J. Giebels is historicus en auteur van een tweedelige biografie over Soekarno.
      Besproken boeken:
      Indische rekening. Indië, Nederland en de backpay-kwestie
      door Hans Meijer
      Uitgeverij Boom. Amsterdam 2005.
      440 pag. , € 29,50
      Sporen van vernieling. Oorlogsschade, roof en rechtsherstel in Indonesië 1940-1957
      door Peter Keppy
      Uitgeverij Boom. Amsterdam 2006.
      312 pag., € 24,50
      Literatuur:
      – P.J. Drooglever, S.L. van der Wal en M.J.B. Schouten (red.) (1971-1996). Officiële Bescheiden
      betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1950 (20 dln.). s-Gravenhage: Rijks
      Geschiedkundige Publicatiën.
      – Pieter J. Drooglever; De kolonie en de dekolonisatie. Nederland, Nederlands-Indië en Indonesië (2006).
      s-Gravenhage: ING-Congresreeks.

      • RLMertens zegt:

        @Lemon. ‘pekara weer op gang te brengen’ -. Nu meteen(!) naar het advocaten kantoor van mevr.Zegvled stappen. Of ….nog eens 71 jaar wachten? Er is toch al genoeg indolente betoond. Al is het maar om een gebaar te maken naar de overheid!

  2. Anoniem zegt:

    Snijdt dhr.Frans Leidelmeijer de bitterheden en de naween van hen die nog met een financieele schuld van de overtocht leven ook aan, of blijft het slechts bij mooie woorden; zoals mevrouw Griselda Molemans haar reactie gaf over Het Gebaar.
    Ik ben reuze benieuwd en zal zijn betoog aandachtig beluisteren; misschien dat dit alles opgenomen zal worden; ik wacht af.
    Mvg.Jos H Crawfurd.

  3. Ron Geenen zegt:

    “”””””””””Drees vond, zoals hij in het Kamerdebat over het Japanse vredesverdrag verklaarde, dat Nederland al genoeg voor de Indische slachtoffers deed door de transportkosten en opvang in Nederland van de vele Nederlanders die terugkeerden naar patria voor zijn rekening te nemen.”””””””””””””

    Ja voor zijn rekening te nemen. En vervolgens als deze zelfde Indo een baan had gevonden er 60% van af te nemen. Een zeer sociaal persoon. Man met het zuinige mondje.
    En meneer Crawfurd, ik denk niet dat u op F Leidelmeijer kan rekenen. Echt een persoon die overal aan mee wil doen, maar echte aktie, vergeet het maar. Of heeft u voorbeelden dat hij naast zijn antieke kwaliteiten, iets voor de Indo heeft gedaan.

  4. Ron Geenen zegt:

    Ben wel heel nieuwsgierig naar Griselda haar speech. In ieder geval al heel blij met haar acties.

  5. rob beckman lapre zegt:

    Hoe een halve eeuw geleden men de “Indo”(” de Oosterse Nederlanders”)bezag las ik in een 23/06/012 artikel van de hand van dr.Herman Bussemaker onder de kop “De Indische kwestie”.Er werd in het “Rapport Werner(1953)” zelfs gesproken van “de oosterse nederlanders een gevaar voor de openbare orde in Nederland zouden kunnen vormen”.Kennelijk voorzag men toen(63 jaar geleden)al “terroristen onder de Indo’s”! Diezelfde Indo’s die,14 dagen na aankomst in Nederland, de oproep voor de dienstplicht (a raison van het kapitale bedrag van 75 cent per dag)in handen werden gegeven (met de boodschap dat niet voldoen aan de oproep men strafbaar was).Men beschouwde de Indo als “potentieel gevaarlijk”, maar wenste hen toch als “kanonnenvoer” in te zetten bij eventuele confrontatie met de Sovjet Unie.Over de “back-pay” kwestie schrijft Bussemaker dat de (toenmalige)mInister van Marine “het niet meer dan een ereplicht was om de ERESCHULD aan het Marinepersoneel in te lossen”.Helaas was het vml.KNIL personeel uitgezonderd van uitbetaling van salaris/soldij over de jaren in gevangenschap.Schril steekt dit af tegen de in 1951 aangenomen WMO, waarbij alle oorlogsschade door Nederlanders geleden als gevolg van de duitse bezetting kon worden geclaimed.Helaas vielen de “oosterse nederlanders”(opnieiuw)buiten de boot,zij werden EXPLECIET UITGESLOTEN van enige vorm van compensatie.Duitsland betaalde totaal 5.9 miljard gulden aan compensatie aan Nederland.Pas in 1981 (30 jaar na de betaling van de “Duitse WMO”)keerde de regering met de “Wet Uitkering Indische Geinterneerden(UIG)” een bedrag van 7500 gulden per persoon uit,of aan de weduwe,kinderen.Men had de rekensommen goed gemaakt,want in de 30 jaar waren al heel wat ex-geinterneerden,zelfs weduwen overleden,terwijl veel kinderen(in buitenland)niets van deze zaak wisten.Opnieuw; “Kassa”!

    • rob beckman lapre zegt:

      Moet mij corrigeren v.w.b.aanspraak uitkering 7500 n.a.v.UIG dd 1981; alleen de ex-geinterneerde of diens weduwe konden aanspraak maken op dit bedrag.Sorry folks;maar voor de kinderen was er geen geld.

  6. rob beckman lapre zegt:

    Het bewuste artikel komt uit de Javapost van 23 juni 2012.

    • Huib Otto zegt:

      ….Sorry folks; maar voor de kinderen was er geen geld…….
      Onze familie heeft ook geen cent gezien.
      De weduwe van mijn vader was al in 1961 overleden.
      Hij zelf werd door de peloppors gekidnapped en gekilled in 1945.
      Na 3,5 Japanse krijgsgevangenschap
      En de kinderen kwamen dus als erfgenamen niet aan bod.
      Maar wel onherroepelijk dienstplicht vervullen en GEEN studie uitstel.

      SORRY RIEN NE VA PLUS………….. HET GELD IS NIET MEER VAN U!

Laat een reactie achter op RLMertens Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.